Studenten scoren veel hoger door "knijpcolleges'; Knopjes om na te gaan of studenten leerstof begrijpen

Aan de Technische Universiteit in Eindhoven wordt op originele wijze getoetst of studenten de behandelde stof begrijpen. Tijdens de colleges kan de docent dit met behulp van aan een computer gekoppelde knopjes nagaan.

ROTTERDAM, 25 SEPT. Druk pratend, zijn broodtrommeltje nog in de hand, komt de eerstejaars scheikunde Pieter Goudswaard de collegezaal binnen. “Ik ben benieuwd of het wat voorstelt”, zegt hij tegen zijn vrienden als hij zich met enige moeite achter zijn multomap en oude schooltas wurmt. Het eerste college natuurkunde begint - het eerste college ook waarin hij de knop, te vergelijken met een deurbel, gaat gebruiken die rechts bovenaan zijn tafel is bevestigd.

Universitair hoofddocent dr. C. Massen maakt zijn studenten snel duidelijk dat deze knopjes een essentiële rol vervullen in de colleges die ze komende maanden van hem zullen krijgen. Massen, verbonden aan de faculteit der technische natuurkunde van de Technische Universiteit in Eindhoven, heeft samen met prof. dr. J.A. Poulis en de studievereniging "J.D. v.d. Waals' in de afgelopen 25 jaar het Audience Paced Feedback-college (APF-college) ontwikkeld. Met behulp van die aan een computer gekoppelde knopjes kan Massen tijdens zijn college op een monitor voortdurend nagaan of de behandelde stof door zijn studenten wordt begrepen. “En als u niet wilt dat uw buurman ziet of u wel of niet drukt, legt u gewoon uw hand over de knop.”

Het technisch principe is betrekkelijk eenvoudig. Een college begint met de vraag of alle studenten hun knopje willen indrukken. Dat levert het aantal studenten op dat in het verdere verloop van belang is. Tijdens het college zal Massen regelmatig vragen stellen of studenten opdrachten laten uitvoeren en de antwoorden en uitkomsten controleren na het verzoek een knop in te drukken als a het goede antwoord is of b, als c de correcte uitkomst, of d, of e. Dan blijkt welk percentage het bij het juiste eind heeft. Als dat percentage in de buurt van de 70 komt gaat Massen er van uit dat zijn studenten de stof hebben begrepen en kan hij verder.

Massen: “In mijn colleges bouw ik stap voor stap verder op wat de studenten al weten. Van hun kennisniveau ga ik steeds uit. Dat is anders dan veel van mijn collega's doen. Die gaan uit van wat de student uiteindelijk moet weten - en lopen dus zeker in begin het gevaar met hun zoveel grotere kennis en ervaring over het niveau van hun studenten heen te schieten. Dat eindniveau houd ik natuurlijk ook wel in de gaten, maar ik ga er in stapjes, die steeds weer aansluiten op het voorgaande, naar toe.”

Pieter Goudswaard is een van degenen die tijdens het eerste uur bij elke vraag probeert zo vaak mogelijk op zijn knop te drukken - in de hoop zo de uitkomst te beïnvloeden. Hij gebruikt daarvoor ook nog eens de knop van de lege tafel naast de zijne. “Het stelt allemaal niet zoveel voor”, zegt hij na afloop van het eerste uur. “Het is een beetje kinderachtig - gek dat zo'n man zich zo door ons laat manipuleren.” Maar na het tweede uur is zijn toon al heel anders, al was het alleen maar doordat toen bleek dat alleen de eerste keer drukken geldt (daarna wordt de knop elektronisch geblokkeerd).

Maar Goudswaard, voor wie de stof in het eerste college-uur nog allemaal oude koek bleek, was toch blij dat Massen in dat tweede uur een stukje "Newton' nog even opnieuw, en wat anders uitlegde nadat maar zo'n 50 procent van de ruim honderd aanwezige studenten op een vraag goed scoorde.

Stilte in de zaal is tijdens de colleges van Massen maar een relatief begrip. “U bent zo stil”, zal hij herhaaldelijk zeggen. “Overleg toch met uw buurman. Overtuig hem als u denkt dat u het juiste antwoord weet, praat met hem over een oplossing als u het niet weet of twijfelt.” In de loop van de colleges zie je geleidelijk aan studenten de koppen bij elkaar steken - voor zover dat kan in de krap bemeten collegebanken. Volgens Massen helpt die aanpak studenten de stof beter te begrijpen. “In feite werken veel studenten op dezelfde manier als wanneer ze in de bibliotheek aan het studeren zijn. Het gaat er mij vooral om dat ze de stof kennen en begrijpen - en dat ik het weet - zodat we met succes met de stof verder kunnen gaan.”

Het APF-college heeft als voordeel dat de docent voortdurend op de hoogte kan blijven van de vorderingen van de studenten. Het zou kunnen leiden tot vertraging, door het herhalen voor de traagste studenten. In de praktijk valt dat mee doordat er al met de stof door wordt gegaan als zo'n 70 procent van de studenten goed reageert en niet pas als ze allemaal positief antwoorden.

“Maar los daarvan blijft herhalen, om onbegrip weg te werken, toch een zinvollere bezigheid voor de docent en student dan het luisteren naar een college dat wordt voortgezet terwijl het gehoor de aansluiting heeft verloren”, aldus Massen.

Hij erkent dat er nog wel iets extra's komt kijken bij deze vorm van college geven. “De voorbereiding is bijzonder belangrijk. De stof moet stap voor stap worden opgebouwd. Bijpassende vragen en vraagstukken dienen daar direct op aan te sluiten. Het is een andere benadering dan een gewone collegebenadering - en dan nog kost het enig vallen en opstaan voordat de docent de juiste vorm heeft gevonden.”

Massen erkent dat niet alle te doceren stof zich leent voor onderwijs in deze vorm. Maar in het algemeen is het wel zo dat veel stof die in (hoor)colleges aan de orde komt er geschikt voor is. In het natuurkunde-onderwijs is het APF-college niet alleen college, het is voor een deel ook instructie. Het APF-college kan een belangrijk deel het arbeidsintensieve instructie-onderwijs vervangen, wat een belangrijke besparing kan opleveren, zo verwacht Massen.

Maar ook de student is beter af. De kans dat hij zijn tentamens haalt is voor de vakken die hem via het APF-college zijn onderwezen veel groter dan bij de andere. Cijfers van de studentenadministratie van de Eindhovense Universiteit leren dat bij de tentamens in die APF-vakken bijna negentig procent een voldoende scoort tegen zo'n zeventig procent bij de andere vakken. Daar staat tegenover dat een student dan ook eigenlijk wel alle colleges moet volgen wil hij de draad niet kwijt raken.

Al 25 jaar wordt het APF-college in Eindhoven op betrekkelijk kleine schaal toegepast. In feite geeft op dit moment alleen Massen op deze manier college. Waarom wordt het niet algemeen ingevoerd nu niet alleen de scores hoger blijken te zijn, de waardering van de studenten groter is (in enquêtes over nut, tempo en moeilijkheidsgraad van de colleges scoren de "knijpcolleges' aanzienlijk hoger dan de andere) en de uiteindelijke kosten van het onderwijs waarschijnlijk lager zijn?

Massen zelf vermoedt dat dit komt doordat het APF-college nogal wat van de docent vraagt. “Dat is niet alleen de intensievere voorbereiding, trouwens naarmate je het langer doet wordt het gemakkelijker, maar je moet het als docent ook kunnen. Voor veel van mijn collega's is het een schrikbeeld als een grote groep studenten direct antwoordt dat de stof niet wordt begrepen - en die dus niet goed is uitgelegd. Ik vermoed dat lang niet alle docenten zo'n directe confrontatie aan kunnen.”