Roken met een wildvreemde; Debuutroman van Heinrich Boll ontdekt

Uit de nalatenschap van de in 1985 overleden Heinrich Böll kwam Der Engel schwieg te voorschijn, over een verwoeste stad waarin het opvallend rustig toegaat: nergens mensen die vechten om voedsel, nergens geschreeuw en gekerm.

Heinrich Böll: Der Engel schwieg. Uitg. Kiepenheuer & Witsch. 212 blz. Prijs ƒ 41,70. Een Nederlandse vertaling zal bij uitgeverij Amber verschijnen.

Heinrich Böll werkte van 1949 tot 1951 aan Der Engel schwieg, zijn eerste roman. In dit boek, dat op de dag van de Duitse capitulatie begint, schrijft Böll volgens eigen zeggen "over de "thuiskomende' generatie, die weet dat er geen thuis op deze wereld is'. De latere Nobelprijswinnaar kon het manuscript destijds niet gepubliceerd krijgen: volgens zijn toenmalige uitgever wilde het publiek niet herinnerd worden aan het ellendige leven op de puinhopen van het Derde Rijk.

Sommige observaties in Der Engel schwieg zijn zo intens dat je maag er van omdraait. Neem alleen al het eerste hoofdstuk, dat zich in een noodhospitaal afspeelt. Een non maakt sla aan in een grote kom. Haar brede hand, het wittige groen van de blaadjes, de sausdruppels, al die op zich zo onschuldige details worden tot angstaanjagende proporties uitvergroot. Het liefst zou je meteen rechtsomkeert maken, maar de verteller kent geen genade. Hij sleurt je mee naar ziekenzalen waar zojuist geamputeerde patiënten de ene sigaret na de andere roken, dorstige monden om water schreeuwen en een chirurg achter een kamerscherm vochtige ingewanden in een emmer laat plonzen.

We zien de ontwrichting van het eens zo machtige Derde Rijk grotendeels door de ogen van de gedeserteerde Wehrmachtsoldaat Hans Schnitzler, die op 8 mei 1945 terugkeert naar zijn platgebombardeerde geboortestad aan de Rijn; ofschoon de schrijver geen naam noemt mogen we aannemen dat het om Bölls geboortestad Keulen gaat. Van Hans' ouderlijk huis is niets meer over, en zo voegt hij zich bij de eindeloze stoet ontheemden. Temidden van de ruïnes komt opeens een vrouw vertellen dat het vrede is, maar daar kan Hans niet om juichen. Met vervalste identiteitsbewijzen probeert hij aan een dreigende krijgsgevangenschap te ontkomen, een enerverende onderneming waar hij amper de kracht voor heeft; in stilte benijdt hij de doden om hun rust. Het is grotesk dat de bureaucratische molens nog steeds volop draaien in dit landschap van puin en as: wie geen "Ausweis' heeft bestaat niet.

Deze beelden van een verwoeste stad met hier en daar een vertwijfeld menselijk wezen zouden net zo goed op Hirosjima kunnen slaan, of op New York in een apocalyptisch visioen. Böll geeft geen historische achtergrondinformatie en hij weigert op de schuldvraag in te gaan. Maar zijn inferno mist de agressie van eigentijdse films en boeken over de ondergang van een stad als New York. Bij Böll gaat het er opvallend rustig aan toe. Nergens scènes van mensen die vechten om voedsel, nergens geschreeuw en gekerm. Hij maakte een stomme film met beelden die bedreigend, maar soms ook bijna idyllisch zijn. Böll heeft zelf eens gezegd dat hij de Stunde Null ondanks alles als een unieke tijd ervoer, waarin de sociale verschillen voor even opgeheven waren. “Iedereen was berooid en alle mensen bezaten alles wat ze maar te pakken konden krijgen: kolen en hout, meubels, schilderijen, boeken. Als iemand je om een stuk brood smeekte vroeg je niet of hij een ex-nazi was of overlevende van een concentratiekamp; het zag er naar uit dat Duitsland uitverkoren was onpolitiek te blijven - het is echter anders gelopen.”

Al in Bölls debuutroman komen we brood en sigaretten als symbolen van broederschap en naastenliefde tegen. Samen met een wildvreemde een sigaret roken is voor Hans het toppunt van eensgezindheid, en het morele gehalte van mensen wordt afgemeten aan hun vermogen een stuk brood met een ander te delen. Gezien de grote hoeveelheden sigaretten en broden die er in deze roman van eigenaar verwisselen is het hier, heel anders dan in Das Brot der frühen Jahre uit 1955, met dergelijke christelijke deugden niet al te beroerd gesteld. Volgens Böll zijn de menselijkste mensen tevens de vroomste, maar wat vroomheid dan wel is, daarover verschillen clerus en schrijver van mening.

Zwarthandelaar

Het personage Regina bijvoorbeeld is in Bölls ogen een heilige, maar volgens de officiële kerkelijke leer een zondares; zij heeft een jong gestorven kind gebaard van een man die zij amper kende en woont nu zonder boterbriefje samen met Hans Schnitzler, die inmiddels zwarthandelaar is geworden. Net als zijn naamgenoot Hans Schnier in Ansichten eines Clowns (1963) piekert hij er niet over in het stadhuis te trouwen, omdat hij niets met de staat te maken wil hebben. Die heeft hij leren kennen als een instantie die het individu van zijn vrijheid berooft en het ook nog eens schandelijk beliegt: in een sterk autobiografisch getinte terugblik vertelt Böll hoe de leerlingboekhandelaar Hans destijds voor acht weken onder de wapenen werd geroepen - het werden acht lange jaren.

In tegenstelling tot de wat bedompte scènes bij meneer de kapelaan, die Bölls kritische houding jegens de kerk moeten illustreren, doet de liefdesgeschiedenis van Hans en Regina ook nu nog vrij fris aan. Dat komt doordat het stel zich geen illusies maakt: “Ik hou van haar, dacht hij, ik ken haar en veel van haar zal ik nog leren kennen, maar hoeveel het ook mag wezen, het zal altijd weinig zijn, haast niets.” De twee spreken weinig met elkaar. Op school, in de kerk, in het leger, overal heeft deze generatie al zoveel holle frasen gehoord dat ze de taal is gaan wantrouwen; het enige personage dat wel in verzorgde volzinnen praat is Hans' tegenspeler dr. Fischer, het prototype van de gevaarlijke opportunist. Het meest geslaagd aan Der Engel schwieg zijn, naast de heftige beelden, dan ook de karige dialogen. “Ik ben erg bedroefd.” “Ik ook,” zei hij, “ik ben bedroefd. We zullen heel vaak bedroefd zijn samen.”

Dat deze stijl gevaarlijk dicht in de buurt van kitsch komt doet er weinig toe. Zijn zo begrijpelijke manier van vertellen, meent Böll, heeft alles te maken met het historische tijdstip waarop hij zijn entree in de letterkunde maakte: “Elke vorm van avantgardisme, elk teruggrijpen op revolutionaire literaire vormen zou belachelijk zijn geweest; het is zinloos burgers aan het schrikken te maken wanneer er geen burgers meer zijn.” Juist door die eenvoudige woorden en beelden echter jaagt Böll de lezer zo vaak de stuipen op het lijf.