Onttrokken aan de vooruitgang; De tuin van Renoir en het bos van Barbizon

Derek Fell: Renoir's Garden. Voorwoord Jacques Renoir. Uitg. Frances Lincoln Limited Londen 1991, 120 blz. Prijs ƒ 66,25.

Daniel Challe en Bernard Marbot: Les photographes de Barbizon, Collection Le siècle d'or de la photographie. Ed. Hoëbeke/ Bibliothèque Nationale Parijs 1991. Prijs ƒ 100,-

Les Collettes, Cagnes, geopend dag beh di 14-17u (10 nov- 31 mei), 10-12u en 14-16u (1 juni- 14 okt), inl tel 93 20 61 07).

Informeel op zijn zachtst gezegd, of liever nogal wild was de tuin van Les Collettes, het landgoed aan de Middellandse zee waar Pierre-Auguste Renoir (1841- 1919) de laatste elf jaar van zijn leven sleet. De zwaar rheumatische bejaarde impressionist werd er dagelijks in zijn rolstoel onder een parasol geïnstalleerd en vrolijkte alleen op - als we zijn achterkleinzoon Jacques Renoir moeten geloven - wanneer hij de knoestige olijfbomen in zijn tuin kon schilderen of de weelderige roze-rode rozen en klaprozen, die hij weergaf als zwoele vrouwenlijven. Zijn oogst aan sappig fruit gaf hij, ook toen hij nog maar nauwelijks meer het penseel kon vasthouden, in kleine stillevens het uiterlijk van de blozende kinderwangen die hem zo beroemd hebben gemaakt.

Er is een groot verschil tussen Les Collettes en de veel bekendere tuin van Renoirs vriend Monet in Giverny. Voor Monet was de tuin een verlengstuk van zijn werk. Hij componeerde en manipuleerde de bloemen en planten alsof het verf was waarmee hij schilderde en deze dwingende creatie zette hij door in de kamers van zijn huis waar hij de kleuren van het houtwerk, de stoelen en het servies even bewust naast elkaar zette. Wat de tinten van de bloemen betreft was Monet zeer kritisch en hij volgde de experimenten elders zorgvuldig.

Renoirs tuin daarentegen was meer een toevluchtsoord uit de moderne wereld en de schilder probeerde er juist zoveel mogelijk het oorspronkelijke landschap te behouden. Hij liet de oude boerderij op het landgoed intact evenals de olijfgaard en de sinaasappel- en pruimebomen en de abrikozenstruiken die overal tussendoor groeiden. Hij besteedde zijn energie vooral aan het tegenhouden van de tuinlieden wanneer die gras wilden gaan maaien of onkruid wieden. In het fotoboek dat de Amerikaan Derek Fell met hulp van Jacques Renoir over Les Collettes maakte staan dan ook vooral typische plattelandsbeelden van wilde bloemen en veldjes met irissen onder oude grillige bomen of doorkijkjes via romantisch overschaduwde grasveldjes naar halfvervallen pittoreske schuurtjes. Quasi slordig maar toch zorgvuldig geënsceneerd waardoor alles een gedistingeerde indruk maakt. De tuin van Renoir zou een mooi decor vormen voor modefoto's van dure merken linnen kleding of klassieke creaties in tweed of schotse ruit.

Het mooist zijn de hoekjes waar nu weer groente wordt verbouwd zoals dat ook gebeurde in Renoirs tijd, toen de talrijke bewoners van Les Collettes uitsluitend uit eigen tuin aten. De rijen kooltjes staan er schijnbaar toevallig tussen de wilde zuring en de twee vierkante meter kniehoge tuinbonen bijeengehouden door bamboestokjes hebben vooral een decoratieve functie.

Ongerept

Dezelfde nostalgie die Renoir ertoe bracht een stuk land te onttrekken aan de vooruitgang, had ruim een halve eeuw eerder Franse landschapschilders als Millet, Rousseau en Jacque ertoe gebracht zich vanuit Parijs in het bos van Fontainebleau te vestigen. De tuinen bij hun arbeidershuisjes in Barbizon stelden niet zoveel voor maar ze brachten hun tijd met hun veldezeltjes door in het nog betrekkelijk ongerepte bos dat ze tegen opkomend toerisme trachtten te verdedigen en tegelijkertijd door hun schilderijen beroemd maakten.

Minder bekend dan de schilders zijn de fotografen die in Barbizon hebben gewerkt. Eind vorig jaar publiceerde de Bibliothèque Nationale een serie ”vergeten' foto's van figuren als Gustave Le Gray, die er vanaf 1850 de meest romantische landschappen fotografeerde. Hij werd al snel gevolgd door Georges Balagny, Charles Famin, Achile Quinet en niet te vergeten Eugène Cuvelier, die bevriend was met de schilders en in 1859 de dochter van de plaatselijke herbergier Ganne trouwde. Vooral Cuvelier stond sterk onder invloed van Theodore Rousseau. Het is bijna schokkend om te zien hoe herkenbaar een in feite anoniem klein stukje bos of een paar rotsen kunnen zijn. Wie de titels van het werk van Corot, Rousseau, Diaz, Courbet of Daubigny in het hoofd heeft kan bijna alle foto's direct benoemen: de Gorges d'Apremont, La Mare aux Fées, l'Allée des Chataigniers. Pas bij de dateringen valt op dat de schilders soms eerder waren, maar omdat ze lang dezelfde onderwerpen blijven schilderen overlapt dat elkaar weer gedeeltelijk. Er is dus nauwelijks sprake van reconstructie door de fotografen van bekende onderwerpen maar wel van beïnvloeding door de schilders.

De Barbizon-foto's kunnen de vergelijking met de geschilderde tegenhangers glansrijk doorstaan. Het zijn echte natuurstudies waarbij gespeeld is met licht en waaruit dezelfde persoonlijke gemoedstoestand van de maker spreekt. Toch maakten de schilders wèl en de fotografen géén carrière, eenvoudigweg omdat er voor het medium fotografie nog geen officieel kader bestond van expositiemogelijkheden, onderscheidingen en verkoopmogelijkheden.

Het prachtig uitgevoerde boek van de Bibliothèque Nationale doet de foto's in beeldend opzicht recht. De inleidingen blijven helaas in prijzende, wat al te mooie woorden steken en de bijschriften zijn zeer poëtisch maar verwijzen alleen naar beroemde Franse schrijvers. Maar ook al zijn de foto's in een bibliotheek bewaard, hun belang ontlenen ze niet aan het feit dat ze documentair zijn maar aan het feit dat ze tot de beeldende kunst behoren.

    • Saskia de Bodt