Naar Osdorp

In lijn 1 koerde een duif. Schuddend over de Nieuwezijds, schuifelend door de Leidsestraat, haarscherp naar de Overtoom - steeds het gesmoorde koeren van een volgevreten doffer.

Ik werd nogal vrolijk van dat geluid. Ik stelde me iemand voor met een duif op schoot, onder zijn jas misschien. Ik keek om me heen en zag een meisje van twintig.

Merkwaardig, nu ik dit opschrijf heb ik de neiging haar andere kleren aan te doen. “Ze combineerde een aantrekkelijke spijkerbroek met een ambitieus colbertje”, speelt het door mijn hoofd. Maar dat zou het hele meisje veranderen.

Ze droeg een regenjas die vooral niet moest opvallen. Haar gezicht was te klein voor haar lengte. Aan haar kaak gloeide een wijnvlek.

Ze keek naar buiten. Ze wist hoe ze gezien werd. Al als kleuter was ze begonnen zich te bekwamen in afwezigheid.

Alles zou je van zo'n meisje willen weten.

Het was trouwens de tram zelf die koerde. Telkens als hij optrok koerde het een beetje aan de bovenkant van het achterbalkon. Een tram met de ziel van een duif?

Ik wou dat ik de fantasie had om een tram door Amsterdam te laten rijden die zich een duif waant, dat ik zoiets kon beschrijven op een manier dat de lezer zou verzuchten: ja, zo is het leven.

Ze stapte uit op de Cornelis Lelylaan.