Moraal dreigt onderwerp van overheidsbeleid te worden

Jaren geleden lanceerde de zogeheten harde kern van de kraakbeweging de huiveringwekkende slogan "uw rechtsorde is de onze niet'. Was daarmee het sociaal contract - zoals dat wordt genoemd in de beschouwing van Knapen over het publieke ongenoegen - opgezegd? Zo eenvoudig bleek dat niet te gaan. Een rechtsorde is niet zozeer afhankelijk van degenen die haar verwerpen als van degenen die er voor staan. Het grootste gevaar was wellicht zelfs de - overigens niet onbegrijpelijke - neiging de harde kern met gelijke munt te betalen en haar buiten de wet te verklaren. Dan zou de rechtsorde pas echt over de rand zijn gegaan.

In Amsterdam heeft de huiveringwekkende slogan zichzelf in elk geval opgebrand, vrij letterlijk zelfs: de brandende tram bij het Concertgebouw bezegelde het morele einde van dit soort staatsverlating. De huidige variant van de staatsverlating is tegelijk veel ruimer verbreid en veel minder extreem: calculerend burgerschap, het staatsbestel als zelfbedieningswinkel. Bepaald niet erg verheffend, maar het komt niet in de buurt van "uw rechtsorde is de onze niet'. Opmerkelijk is echter dat veel "staatsverdedigers' de neiging hebben het wel zo voor te stellen. "Vertechnisering' en instrumentalisme geven de toon aan, erkent ook minister Hirsch Ballin van justitie, die het publieke ongenoegen tegemoet treedt met een bevlogen pleidooi voor een nieuwe publieke moraal.

Men moet overigens maar durven, want uitgerekend Hirsch Ballin schuwt de door hem gegispte vervreemdingstactiek ambtshalve bepaald niet. Twee voorbeelden: Mede op initiatief van de minister van justitie wordt het van oudsher lokaal gebonden politiebestel ingrijpend gereorganiseerd in regionale korpsen - verder van de burger af dus. Deze onverschilligheid voor het “zoekmaken van verantwoordelijkheden”, zoals het werd genoemd tijdens een hoorzitting van de Kamer, is van speciale betekenis omdat de politie niet zomaar een overheidsdienst is, maar behoort tot de klassieke basisvoorzieningen van de democratische rechtsstaat. In het kader van de fraudebestrijding is een elektronische jacht op de burger geopend. Grote computersystemen worden opgebouwd en onderling verbonden, gegevens worden op persoonsnummer gekruisd, persoonsprofielen ontwikkeld. Als er nu één ontwikkeling ondoorzichtig is voor de gewone burger en (staats)-vervreemdend werkt, dan is het wel de moderne overheidsautomatisering. Maar alweer is het de minister van justitie - eerstverantwoordelijke voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) - die de bezwaren wegwuift als een “alibi”.

Aparte vermelding verdient dat in beide gevallen ook het wetgevend proces onder druk komt te staan. Een netwerk voor elektronische bevolkingsboekhouding dat zeer bevorderlijk is voor de genoemde computercontroles, wordt ingericht vóórdat de bijbehorende wetgeving behoorlijk is behandeld. Ook bij het nieuwe politiebestel wordt een tactiek gevolgd van “omgekeerde wetgeving”, zoals het is genoemd door twee bestuurskundigen van de Erasmusuniversiteit: de regionale korpsen treden volgend jaar in werking op basis van een voorlopige machtiging, terwijl de nieuwe politiewet thans nog slechts verkeert in de eerste schriftelijke ronde van parlementaire behandeling.

Vertechnisering en instrumentalisme zijn intussen nog zwakke termen voor wat er in Den Haag aan de hand is. Wie de Handelingen van de Tweede Kamer nog eens openslaat op de fraudebestrijding, slaat een sfeer van nauwverholen agressie en intolerantie tegemoet. En dat Kamerbreed. De ene afgevaardigde pleit voor “een FBI tegen de sociale zekerheidsfraude”, de ander voor een rigoureuze toepassing van het “lik op stuk-beginsel” en allemaal willen ze computers koppelen ten behoeve van de “pakkans”. Verhaal van onregelmatige uitbetaling op de knoeiende minima is niet voldoende, er moet ook apart worden gestraft. Is van een kale kip niets te plukken? Dan maar een vorm van tewerkstelling!

Het gehalte van regels die zo krachtdadig moeten worden gehandhaafd, vormt intussen in toenemende mate een voorwerp van kritiek. Vooral op het gebied van de belastingen en sociale zekerheid zijn gelegenheidswetgeving en overkill geen onbekende verschijnselen meer. Tekenend is het geval van de Harmonisatiewet studieduur: beneden de maat, vonden rechters tot aan de Hoge Raad toe, maar de wet is nu eenmaal onschendbaar zodat er niets aan te doen viel. In de juridische vakliteratuur wordt openlijk gesproken van “wetgevingsonrecht”.

De animositeit blijft niet beperkt tot frauderende uitkeringstrekkers. Nieuwe politiebevoegdheden om iedere verdachte die niet direct een behoorlijke identificatie voor de dag haalt desnoods op straat te fouilleren en langer vast te houden op het bureau zijn in de Kamer zelf betiteld als “een agressieve benadering”. De doorslag gaf de wens mensen die het bestaan zich te onttrekken aan een “strafrecht met tanden” er “met de haren bij te slepen”. En dan maar verbaasd zijn dat de mensen op hun quivive zijn voor Den Haag en hun eigen kansen scherp calculeren.

De kiezer roept echter toch zelf om een strafrecht met tanden? Afgezien van de omstandigheid dat regeren een eigen (morele) opdracht inhoudt doel en middelen behoorlijk af te wegen, is het nog maar zeer de vraag of de roep om de harde hand wel zo eenduidig is. Veel Nederlanders stappen vrolijk met twee gezichten door het leven, zoals Knapen het uitdrukte. Wanneer het om criminaliteit gaat, is dat zelfs een elementair gegeven. Een citaat uit De afstand tot de horizon (1986) door Jac van Weringh: “Mensen die klagen over bepaalde vormen van criminaliteit kunnen van andere profiteren - en willen dat ook. Zij klagen over stelende junks en tillen de belasting”. Van Weringh waarschuwde dan ook tegen een “technocratisch-mechanistische” benadering - precies zoals nu minister Hirsch-Ballin signaleert.

Daarmee is het morele kaliber van het publieke ongenoegen en de problemen die daaraan ten grondslag liggen niet gekleineerd. Het is alleen zaak onder ogen te zien dat "de' publieke moraal niet meer bestaat en zeker niet de overgeleverde vanzelfsprekendheden van het verzuilde Nederland van weleer. “Een gefragmenteerde moraal is nog niet hetzelfde als een gebrek aan moraal”, brengt de sociaal-psycholoog J.C.J. Boutelier echter met reden in herinnering in de recente bundel Burgerschap, levensbeschouwing en criminaliteit. Mensen zijn bijvoorbeeld wel degelijk aanspreekbaar op de gedachte van een sociale rechtsstaat. Het is bij de kleinere lettertjes van dit sociale contract dat de attitudes snel uitelkaar lopen. Dat dient serieus te worden opgenomen want veel kleine lettertjes maken als men niet oppast een grote (de V van verloedering).

Een serieuze aanpak veronderstelt het besef dat moraal in een gefragmenteerde tijd voorwerp is van onderhandelingen en debat, een proces en zeker geen waarheid die de staat zijn burgers kan voorschrijven. Boutelier: “morele oordelen moeten zichzelf bewijzen”. Dat is minder nihilistisch dan het lijkt. Zelfs het strafrecht (dat van oudsher geldt als een "ethisch minimum') vertoont de tekenen van wisselende morele getijden. Bepalingen over anticonceptie en homoseksualiteit verdwijnen, nieuwe waarden als privacy en non-discriminatie doen hun intrede.

Gefragmenteerde moraal is intussen goed en wel, maar zelfs de meest relativerende landsbestuurders moeten op een gegeven moment toch wel knopen doorhakken. De morele pluraliteit versterkt dan ook het staatkundige imperatief van een zorgvuldige afweging van belangen, te beginnen met het onderkennen van verschillende invalshoeken. De omgekeerde wetgeving in het geval van politie en computercontroles (en trouwens menige belastingwet) steekt wat dit betreft wel heel schril af tegen de oudtestamentische “schoonheid der wet” die Hirsch Ballin predikt. Zo kan men zich ook wel keren tegen de “bureaucratische onbewegelijkheid” maar de werkelijkheid in de staat waar Hirsch Ballin als minister voor staat, maakt - in de treffende analyse van Boutelier - “de moraal tot een bureaucratisch manipuleerbare variabele”. Moraal dreigt in de moderne criminaliteitspreventie een onderwerp van overheidsbeleid en -sturing te worden. Niet een zedelijke dialoog staat centraal maar de bijdrage aan het drukken van de criminele statistiek.

Zo'n moraal is pas goed fataal.