Mistige schuldeisers

Het kind waarvan de vrouw zwanger is - ik citeer een regel van Nederlands recht - wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Wat kan de betekenis van deze mystieke regel zijn? Kan een ongeborene rechten verkrijgen? Jazeker, hij kan erfgenaam zijn of legataris. Denkbaar is ook dat een ongeborene rechten uit een overeenkomst krijgt, maar dan moet er wel iemand zijn, een geborene, die namens hem of ten behoeve van hem contracteert. Zo is wel eens uitgemaakt dat een kind waarvan een vrouw zwanger was, partij was bij een door de vader ten behoeve van het kind gesloten overeenkomst tot kraamverzorging. De ongelukkige kraamverzorgster, die het kind liet vallen, pleegde wanprestatie tegenover het kind. Ook zijn er kinderen die in statu nascendi (in de staat dat zij nog geboren moeten worden) al over een bankrekening beschikken.

Maar komt het kind dood ter wereld, zo voegt onze wetgever zakelijk toe, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. Die bankrekening, die was dus bij nader inzien van niemand.

Heel vaak zal het toch niet voorkomen dat een ongeborene bij een contract of een andere rechtshandeling betrokken wordt. Maar het recht kent behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen en de BV in oprichting (BV i.o.) is een bekende figuur. Moeten we hier een vergelijking maken? Daarmee moeten wij voorzichtig zijn. Niet zozeer omdat het onwaarschijnlijk is dat een vrouw zwanger wordt van een rechtspersoon, maar omdat we in het algemeen met dit soort gelijkstellingen weinig opschieten. Aan de natuurlijke persoon komen rechten toe op grond van zedelijke en maatschappelijke beginselen, voor een rechtspersoon gelden die overwegingen niet. Wanneer wij het dus voor mogelijk houden dat een BV i.o. als contractpartij optreedt, dan is dat niet omdat enig zedelijk beginsel dat voorschrijft, maar omdat wij dat praktisch vinden. Wij vinden het praktisch dat iemand die een BV wil oprichten al vóór de oprichting namens die BV kan handelen. Het grote voordeel daarvan is dat de BV, wanneer de oprichting eindelijk - na veel gehannes bij de notaris - een feit is, het onder de naam BV i.o. begonnen bedrijf naadloos kan voortzetten.

Niet alleen rechten kan de BV i.o. verwerven, maar ook plichten. Om het niet al te dol te maken, zetten we wel in de wet dat die rechten en plichten pas echt aan de BV kleven wanneer de BV na haar oprichting de namens haar verrichte rechtshandelingen heeft bekrachtigd. Verder bevat de wet een paar regels om misbruik te voorkomen, maar daar zal ik het nu niet over hebben.

Wat erg praktisch en nuttig lijkt, kan in sommige gevallen toch uitlopen op een juridische breinbreker. Neem nou die snoepjesfabrikant in Ierland. Hij had een machine gekocht van een Nederlandse BV i.o., waarmee hij zuurtjes kon maken in 48 kleuren. Op zichzelf was dat mooi, maar hij had ook klachten, dus in betalen had hij voorlopig geen zin. Dat liep uit op een procedure voor de rechtbank in Utrecht, waarbij als eiseres optrad de intussen opgerichte BV. Dat leek te kloppen, maar toen kwam er een verweer waarop de BV niet gerekend had. Ik heb gekocht van een BV i.o., zo luidde het verweer, en U bent wel een zojuist opgerichte BV maar niet dezelfde BV die destijds i.o. was! Dat was een moeilijke, want hoe bewijs je, als BV, dat je de legitieme uitkomst bent van een oprichtingsproces?

Zoiets ligt bij de natuurlijke persoon toch weer een stuk makkelijker. Is een vrouw zwanger en baart zij een kind, dan is dat het kind waarvan zij zwanger was. Weinigen zullen dat betwijfelen.

Maar een oprichter kan tijdens het oprichtingsproces nog alle kanten op. Hij kan de BV een andere naam geven dan de BV i.o.. Hij kan andere personen met de leiding belasten. Hij kan de bedrijfsactiviteiten wijzigen en de BV een veel groter of veel kleiner kapitaal meegeven dan hij aanvankelijk voor ogen had. Hij kan in de akte van oprichting met zoveel woorden verklaren dat de BV een voortzetting is van de BV i.o. m,aar hij kan dat ook nalaten. Ten slotte kan het voorkomen dat hij tegelijkertijd twee of drie of voor mijn part tien BV's opricht. Wie zal dan zeggen welke BV de voortzetting van welke BV i.o. is?

In ons geval kon de snoepjesfabrikant erop wijzen dat de opgerichte BV niet precies dezelfde naam had als de BV i.o., dat er uit de akte van oprichting niets bleek van voortzetting en dat van de diverse inschrijvingen in het handelsregister ook niet veel klopte. Voor het Hof was dit voldoende om uit te spreken dat niet kon worden aangenomen dat de BV de voortzetting van de BV i.o. was. De Hoge Raad morrelde nog wat aan de formulering maar liet de beslissing van het Hof in stand.

De opgerichte BV kreeg dus nul op het rekest. Toch was er een machine geleverd. Er moet dus een schuldeiser zijn die de koopprijs kan innen maar waar is die gebleven? Is de schuldeiser met de mislukte oprichting in de mist verdwenen? De Hoge Raad deed op dit punt geen uitspraak en de wet is niet erg duidelijk. De juiste oplossing lijkt mij dat de oprichter nu zelf de koopprijs kan innen. Aangenomen tenminste dat de snoepjesfabrikant verder geen bezwaren heeft die steek houden.