Hongaren Roemenië: hoop op beter parlement; "Van beloften is niet veel terechtgekomen'

BOEKAREST, 25 SEPT. Dr Attila Verestóy ziet er een beetje uit zoals zijn voornaam suggereert, wilde haren, woeste blik, rood hoofd, een gedreven stem. Boos is hij, en hij verbergt het niet.

Attila Verestóy is namens de Democratische Unie van Hongaren in Roemenië, de UDMR, de partij die de Hongaarse minderheid in Roemenië vertegenwoordigt, lid van de Senaat. Een boos lid van een boze partij, want, zegt hij in zijn werkkamer in de Senaat - die nu is ondergebracht in het voormalige hoofdkwartier van de communistische partij aan de Piata Revolutiei -, de positie van de Hongaarse minderheid in Roemenië is de afgelopen jaren niet bijster verbeterd. “Ons is veel beloofd. Vlak na de revolutie, op 6 januari 1990, is ons àlles beloofd, heel genereus: we zouden alle middelen krijgen om onze nationale identiteit te ontwikkelen en onze cultuur tot leven te wekken, we zouden onze universiteit terugkrijgen, we zouden onze kinderen weer in het Hongaars mogen onderwijzen, we zouden een een wettelijk minderhedenstatuut krijgen, en een minister voor de minderheden, die zou er ook komen.”

Van al die beloften is weinig terechtgekomen. De eenheid die er in de euforie van vlak na de revolutie nog bestond, is al snel vervlogen, zeker na de dramatische en bloedige etnische rellen in Trgu Mures in de lente van 1990. “Veel van die beloften zijn sindsdien geblokkeerd, zoals die over het onderwijs en de cultuur, andere zijn en worden nog steeds systematisch genegeerd.” Hij wil niet ontkennen dat er ook positieve ontwikkelingen zijn. Dat kon ook niet anders, na de enorme kaalslag ten tijde van Ceausescu, de man die met bijna diabolische systematiek trachtte de Hongaren in een Roemeense dwangbuis te stoppen, door Hongaarstalig onderwijs af te schaffen, Hongaarstalige media het leven zo moeilijk mogelijk te maken, de Hongaarse intelligentsia te dwingen banen te accepteren buiten het woongebied van de Hongaren en omgekeerd zoveel mogelijk Roemenen te vestigen in gebieden waar de Hongaren in de meerderheid waren.

Positief is dat de Hongaarse minderheid in het parlement is vertegenwoordigd, door middel van de UDMR; negatief is, zegt Verestóy, dat onze fractie stelselmatig wordt genegeerd door een meerderheid die steeds en bloc stemt wanneer het om onze rechten gaat. Positief is dat de Hongaren op plaatselijk niveau zijn vertegenwoordigd, met meer dan honderd burgemeesters en meer dan drieduizend gemeenteraadsleden; negatief is dat die lokale autoriteiten wettelijk niet veel zeggenschap hebben en dat de werkelijke macht in de provincie bij de door Boekarest benoemde prefecten ligt.

In het onderwijs is de situatie niet veel beter geworden. In de jaren veertig en vijftig hadden de Hongaren een universiteit met zeven faculteiten maar ook honderd onafhankelijke middelbare scholen, die onder Ceausescu tot gemengde instituten zijn gemaakt of zijn afgeschaft. Sommige van die instituten hebben een eeuwenoude traditie, zoals het lyceum van Trgu Mures, dat in 1537 werd gesticht. “Maar tot nu toe is ondanks de beloften van begin 1990 slechts in een kwart van de gevallen de onafhankelijkheid van Hongaarstalige middelbare scholen gerealiseerd. Dat gebeurde in januari en februari 1990. Sindsdien is er niets meer gebeurd. De zaak is gewoon ingevroren.” En het ziet er ook niet naar uit dat de Hongaarstalige universiteit van Cluj weer onafhankelijk wordt.

Nog negatiever is het gesteld met de vertegenwoordiging van de Hongaren in de hoogste regionen van de macht. Verestóy: “Er zit niet één Hongaar in de regering, zelfs de allerlaatste, de staatssecretaris voor cultuur, hebben ze er onlangs uitgeschopt.”

Na 1989 kregen de Hongaren toegang tot de elektronische media, met uitzendingen in het Hongaars, verzorgd door een eigen, onafhankelijke afdeling. Ook dat is teruggedraaid: eerst werd die afdeling haar onafhankelijkheid afgepakt, later is het aantal uren bekort, van zes naar drie uur zendtijd per week op de tv. Verestoyu: “Onze bladen gaan failliet, even is er een opbloei geweest, maar dat is verleden tijd, onze bladen redden het niet in de economische malaise van nu, publikaties met een grote traditie dreigen te verdwijnen. “De Roemenen snappen nog steeds niet dat het bestaan van een minderheid voor de eigen Roemeense cultuur eerder een toegevoegde waarde dan een toegevoegde last betekent.

Sinds 1989 is met de vrije pers ook de xenofobie gelegaliseerd, zegt hij, er zijn extreem-nationalistische organisaties en partijen en bladen, lees eens wat ze schrijven, de wildste beschuldigingen. “En we kunnen ons niet verdedigen, dan zouden we alleen maar olie op het vuur gooien. Sterker: we willen ons niet verdedigen, want we zoeken de confrontatie niet.” Wij van onze kant, zegt hij, doen alles om ons te ontdoen van extremisten binnen de Hongaarse gemeenschap. “Dat is een aanbod aan de Roemenen, dat we beantwoord willen zien. Ze moeten goed begrijpen dat we niet méér willen dan de meerderheid, maar ook niet genoegen nemen met minder. Elke burger heeft zijn rechten, en rechten zijn geen privileges.”

De politieke ontwikkelingen verlopen voor de Hongaarse minderheid heel ongunstig. Weliswaar is er geen sprake van een duidelijke opleving van het Roemeense nationalisme, maar de leiders van dat Roemeense nationalisme maken wel zoveel lawaai dat je soms het horen vergaat. De campagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen van begin dit jaar en de parlements- en presidentsverkiezingen van zondag zijn daar mede debet aan. De positie van de Hongaarse minderheid is een van de cruciale thema's in de verkiezingscampagne geweest, niet in het minst dankzij het optreden van een van de zes kandidaten voor het Roemeense presidentschap, Gheorghe Funar, die in februari burgemeester van Cluj werd. In Cluj - een kwart van de bevolking is Hongaars - zijn sindsdien Hongaarstalige opschriften op straat verboden, bijeenkomsten van Hongaren verboden, Hongaarse bedrijven gesloten. Als hij zondag president wordt - hij is een van de zes kandidaten - zal hij in heel Roemenië orde op zaken stellen, heeft hij gezegd. Hongaren, zo heeft Funar tijdens zijn campagne geroepen, zijn “een barbaars migrantenvolk dat nog altijd barbaarse genen heeft”. Hongaarse scholen en een Hongaarse universiteit zijn niet nodig: “De Hongaarse universiteit was een schepping van de communisten. We moeten een Europees niveau bereiken, en dat is een niveau zonder Hongaarse scholen, Hongaarse faculteiten en Hongaarse universiteiten.”

In zo'n sfeer is het niet makkelijk opereren voor de UDMR. De Hongaarse fractie wordt in het parlement door de rest met de nek aangekeken. Gentlemen's agreements worden zonder pardon geschonden. Persoonlijke of zelfs maar correcte relaties met parlementariërs uit andere fracties zijn er niet meer: er is alleen maar wantrouwen.

En toch is Verestóy optimistisch, want het nieuwe parlement, dat zondag wordt gekozen, wordt hoe dan ook kwalitatief beter dan het vorige, en dat geeft hoop. “Het huidige parlement heeft me vaak geschokt. Neem meneer Romulus Vulpescu, die heeft op een gegeven moment gezegd dat de Hongaren in concentratiekampen moeten worden opgesloten. En niet dàt schokte me, want ik ken meneer Romulus Vulpescu, wat me werkelijk schokte is dat geen enkele parlementariër protest aantekende tegen die uitlating.” Ik hoop, zegt Verestóy, dat dat extremisme verdwijnt, in het nieuwe parlement, maar zeker weet ik het niet, want sommige mensen houden van macht en doen daar niet graag afstand van.

    • Peter Michielsen