Honden op de weg naar Damascus; Zware symboliek bij Ian McEwan

Ian McEwan: Black Dogs. Uitg. Jonathan Cape, 174 blz. Prijs ƒ 48,70. Nederlandse vertaling: Ernst Ris. Uitg. De Harmonie, 192 blz. Prijs ƒ 32,50.

Wat June Tremaine op haar huwelijksreis overkomt, bepaalt de rest van haar leven. Het is geen geringe opgave voor een schrijver om zoiets waar te maken. Hij moet zijn figuur zo tekenen dat de lezer aanvaardt dat zij juist op dat ogenblik ontvankelijk was voor wat er gebeurde. Hij moet bovendien door een voorzichtige dosering van feiten de spanning weten op te voeren tot het ogenblik waarop ook de lezer op zijn ontvankelijkst is, en ten slotte moet de gebeurtenis haar eigen overtuigingskracht hebben.

De June die een jaar na de oorlog in de buurt van Le Vigan door twee zwarte honden wordt aangevallen, is een jonge vrouw die met haar man een idealistisch-communistisch leven is begonnen. Op een wandeling waarbij de man een eind achterblijft, overvalt haar plotseling een gevoel van onoverzienbare malaise. Ze wordt redeloos bang, misselijk (ze is net zwanger), durft niet verder, en ziet dan op een afstand van honderd meter twee zwarte honden, zo groot als ezels. Onmiddellijk herkent zij ze als emblemen van "de naamloze, onverklaarbare, ombeschrijflijke angst' die ze net daarvoor had gevoeld. Wat ze het griezeligst vindt, is dat die honden misschien helemaal niet bestaan en dat ze bezig is gek te worden. Dat is tamelijk vergezocht, en ook meteen weer vergeten als de honden hun aanval beginnen.

Terwijl ze op haar afkomen, heeft June een sensatie van "gekleurd onzichtbaar licht' dat haar omgeeft en haar de kracht verleent om terug te vechten en de honden met stenen en messteken te verjagen, Omdat we dan allang weten dat June zich in haar verdere leven is gaan wijden aan meditatie en de mysteriën van het geloof, lijkt ze op weg naar Damascus te zijn geweest. Het idee van een van bovenaf geregelde bekering wordt versterkt door wat er op het kritieke moment bij haar opkomt: “als dit God is,” denkt ze, “dan is het ook onweerlegbaar mijzelf.” Ik kan met dergelijke gedachten weinig aanvangen maar McEwan heeft er wel degelijk een bedoeling mee.

De honden zijn overduidelijk symbolen van het kwaad dat in McEwans vroegere werk ook een grote rol speelt. De verteller, die de schoonzoon is van June en haar biografie schrijft, zegt aan het begin van de roman tegen haar dat ze op de proef is gesteld door een symbolische vorm van het kwaad. June mag dat dan tegenspreken en antwoorden dat wat zij over de honden heeft verteld absoluut feitelijk en letterlijk was, maar McEwan en zijn verteller gebruiken die honden wel degelijk als symbolen, erg opzichtige symbolen zelfs.

Het is goed mogelijk dat McEwan zoveel nadruk legt op de symboliek van Junes ontmoeting met de honden omdat hij daarmee zijn eigen veranderde houding ten opzicht van de macht van het kwaad wil aangeven. In zijn vroegere werk triomfeerde het kwaad steeds, vernielde het de harmonie en corrumpeerde het de onschuld. Nu wil hij demonstreren dat een serieuze confrontatie met het kwaad tot goed of tot god kan leiden.

Misrekening

Alles in het boek draait om de honden en de bekering van June. In zijn biografie werkt de verteller welbewust naar die episode toe, zo bewust dat de lezer het meeste al geraden heeft voordat de gebeurtenis zelf in het laatste hoofdstuk wordt beschreven. Dat laatste hoofdstuk kan dan niet meer doen dan de puntjes op de i zetten - wat toch al nooit een opwindende bezigheid is - maar kan niet zorgen voor een climax of een onthullende verrassing. Het is dezelfde soort misrekening waar McEwans vorige roman, The innocent, ook onder leed. Even weinig opwindend is de beschrijving van het leven van June en haar man als het enthousiasme van hun communistische tijd is uitgeblust en ze elkaar alleen nog maar dwars zitten met op elkaar botsende ideeën. Het zijn, zo heet het, twee mensen die geobsedeerd worden door elkaar maar het bij elkaar niet uithouden. Echt tot leven komen doen ze niet. Hun redenaties over communisme en liefde en rationalisme worden uitvoerig gememoreerd maar zelf blijven ze zo onzichtbaar als het licht dat June indertijd omgaf.

Net als The innocent maakt dit boek een uiterst geconstrueerde indruk, tot in de details toe. Symptomatisch is de plotselinge seksuele drang bij de verteller en zijn toekomstige vrouw na hun bezoek aan het dodenkamp Majdanek, een scène die rechtstreeks ontleend lijkt aan een verhandeling over dood en seksualiteit. Daartegenover staat een aantal prachtig geschreven passages die ineens opflitsen als het lemmet van Junes mes. Door de zware symboliek, de onbevredigende constructie en het weinig produktieve geredeneer over dood en leven en de mogelijkheden om de wereld te verbeteren, blijft het boek echter ver beneden het peil van McEwans beste werk.