Friezen met koeien, zuilen met slabladeren; Anekdotes over stalinistische bouwkunst

Alexej Tarchanov en Sergej Kawtaradse: Stalinistische Architektur. Uitg. Klinkhardt & Biermann, 192 blz. Prijs ƒ 124,45. Engelse editie uitgegeven door Lawrence King.

Vlak bij het Rode Plein in Moskou staat een reusachtig, merkwaardig gebouw: hotel Moskva. Op het eerste gezicht is het symmetrisch, zoals het hoort bij een gebouw dat onder Stalin is gebouwd, maar wie er goed naar kijkt, ziet dat in de linkervleugel bijna alle details verschillen van die in de rechtervleugel. Links heeft de gevel veel reliëf, de rechterkant is vrijwel vlak; links ziet men boogramen, rechts zijn alle vensters rechthoekig.

In het Moskva-hotel, voltooid in 1936, is de angst voor Stalin zichtbaar geworden. Omdat het gebouw zo dicht bij het Rode Plein kwam te staan, moest het ontwerp door Stalin persoonlijk goedgekeurd worden. Er werden hem twee varianten voorgelegd die in een tekening van elkaar waren gescheiden door een lange potloodlijn. Stalin zette één handtekening op het vel ter goedkeuring. Niemand durfde hem te vertellen dat het ging om twee verschillende varianten waaruit hij moest kiezen en dus kreeg het linkergedeelte van het hotel een ander aanzicht dan het rechter.

Dit beroemde verhaal over het Moskva-hotel is slechts een van de vele anekdotes die de Russische kunsthistorici Alexej Tarchanow en Sergej Kawtaradse opdissen in hun boek Stalinistische Architektur, het eerste in het Westen uitgegeven boek dat alleen aan de Sovjetarchitectuur uit de Stalintijd is gewijd. Het is misschien nog te vroeg om vast te stellen dat dit het begin is van een herwaardering van een bouwkunst die het in het Westen vrijwel altijd moet doen met adjectieven als "bombastisch', "banaal' en "protserig', maar opmerkelijk is het in ieder geval. Wie had vijf jaar geleden kunnen denken dat in 1992 Stalinistische Architektur tegelijk in het Engels en in het Duits zou worden uitgegeven? Het was net zo onwaarschijnlijk als het verdwijnen van de Muur.

De anekdotes geven het boek iets aangenaam luchtigs, maar dit wil niet zeggen dat Stalinistische Architektur niet serieus is, integendeel. Alleen de moraliserende toon die zo vaak wordt aangeslagen als het om socialistisch-realistische architectuur gaat, ontbreekt erin. Toch heet het boek niet neutraal "Architectuur onder Stalin' of "Socialistisch-realistische architectuur', maar "Stalinistische Architektur'. Wie kiest voor zo'n titel, moet wel van mening zijn dat kunst een afspiegeling is van de maatschappij, zoals marxisten vroeger altijd beweerden. Dit vinden Tarchanow en Kawtaradse dan ook. “Stalinistische architectuur is een onscheidbaar bestanddeel en een onvermijdelijk gevolg van het tijdperk”, schrijven zij. En aangezien zij het Stalinistische regime als bloedig betitelen, zou hun conclusie moeten zijn dat ook de met het Stalinisme verbonden architectuur verschrikkelijk is. Maar vreemd genoeg beweren Tarchanow en Kawtaradse juist onomwonden dat veel gebouwen uit de Stalintijd van grote kwaliteit zijn.

Ondanks deze vreemde gedachtensprong is Stalinistische Architektur een uitstekende inleiding in de socialistisch-realistische architectuur. Aan de theoretische beschouwingen van de Sovjetarchitecten schenken Tarchanow en Kawtaradse terecht weinig aandacht. Die stellen immers niet al te veel voor. Het socialistisch realisme was veel minder een eenheid dan het "uitgeklede' classicisme dat tegelijkertijd in Hitler-Duitsland ontstond, schrijven zij. De theorie van de Sovjetbouwkunst was vaag: veel verder dan een "meesterlijke, nieuwe interpretatie van het erfgoed' kwamen de geleerden niet. Barok, renaissance, classicisme en oud-Russische bouwkunst - alle historische stijlen konden als inspiratiebron dienen.

Aan de hand van een overstelpend aantal (kleuren)foto's en tekeningen, die voor een deel nog niet eerder zijn gepubliceerd, geven Tarchanow en Kawtaradse een chronologisch overzicht van de "stalinistische architectuur'. De schrijvers beginnen, zoals het hoort, met de prijsvraag voor het Paleis der Sovjets in de jaren 1931-34, die een definitief einde maakte aan het modernisme uit de jaren twintig, en eindigen met de paviljoens voor de grote landbouwtentoonstelling in 1954 in Moskou, later omgedoopt tot de Tentoonstelling van Economische Verworvenheden van de USSR. In deze paviljoens hebben sommige architecten wel erg letterlijk voldaan aan de in de jaren dertig geformuleerde eis tot een voor iedereen begrijpelijke architectuur. Zo kreeg het Oekraïense paviljoen de vorm van een korenschoof, werd de fries van het gebouw van de veeteelt voorzien van gespierde koeien en werden acanthusbladeren in Corinthische zuilen vervangen door slabladeren.

De gebouwen van de landbouwtentoonstelling werden in 1954, een jaar na Stalins dood, voltooid en vormen de apotheose van de socialistisch-realistische architectuur. Daarna was het snel afgelopen. Al twee jaar later veroordeelde Chroesjtsjov de rijk gedecoreerde architectuur uit de tijd van zijn voorganger als verkwistend en pleitte hij voor een industrialisatie van de bouw. De Sovjetarchitectuur ging weer op die in het Westen lijken.

Het enige bezwaar tegen het boek is dat de keuze van gebouwen wel erg voor de hand ligt. Het beperkt zich grotendeels tot de zelfs in het Westen bekende bouwkundige hoogtepunten uit de Stalintijd, zoals de metrostations en wolkenkrabbers (suikertaarten) in Moskou. En juist in het hoofdstuk "Neue Städte nach dem Krieg', waarin een aantal minder bekende wederopbouwplannen worden behandeld, gaat het mis met de illustraties. De tekst is een lofzang op de nooit uitgevoerde ontwerpen van Andrej Boerov voor Jalta en die van Grigori Golts voor Smolensk, maar er zijn geen plaatjes van te zien. Misschien hebben de schrijvers die bewaard voor hun volgende boek over socialistisch-realistische bouwkunst. Want een ding is duidelijk: dit eerste overzicht smaakt naar meer.