Frans referendum is niet maatgevend

Begin jaren tachtig was er weinig geloof in een verdere Europese integratie. Het Europees Monetair Stelsel, opgericht in 1979 kon, mede door de vele herschikkingen, niet wezenlijk bijdragen aan een groeiend geloof in de eenwording van Europa. Het was de tijd van de "eurosclerose'. Halverwege de jaren tachtig kwam daar verandering in. Vooral de initiatieven van Jacques Delors, sinds 1984 president van de Europese Commissie, hebben bijgedragen aan een opleving van de integratie. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is de Europese Akte die het begrip "1992' (interne markt) introduceerde. De opleving lijkt te hebben geduurd tot 21 september jongstleden. De uitslag van het Franse referendum heeft alom geleid tot scepsis over een verdere Europese integratie. Er zijn echter belangrijke redenen om te blijven geloven in de Europese eenwording. "Maastricht' is daarbij een stap in de goede richting.

Op het eerste oog geeft de uitslag van het referendum in Frankrijk te denken. Bijna de helft van het aantal uitgebrachte stemmen is gericht tegen een verdere integratie van Europa op grond van de in het verdrag van Maastricht vastgelegde bepalingen. Er kleven echter een aantal problemen aan het referendum.

President Mitterrand besloot na het Deense "nej' op 2 juni tot een raadpleging van het Franse volk om het verdrag te ratificeren. Hij had ook de mogelijkheid om de parlementaire weg te kiezen. De keuze voor het referendum had binnenlandse politieke redenen. Mitterrand heeft zijn tweede periode als president van Frankrijk in het teken gesteld van de Europese eenwording. Ratificatie van het verdrag. Daarnaast is de socialistische regering van de president niet populair bij de Franse bevolking. Voor veertig procent van de nee-stemmers is de impopulaire president Mitterrand mede een reden geweest om niet voor het verdrag te stemmen. Rechtse tegenstanders wakkerden dit aan met de leus: "Non à Mitterrand, Non à Maastricht'. Een Europees succes zou voor de socialisten bij kunnen dragen aan een dragelijke uitslag bij de parlementsverkiezingen in maart 1993.

Mitterrand dwong met het referendum de oppositiepartijen tot een stemadvies. De gaullistische RPR, onder leiding van Jacques Chirac, en de liberale UDF met Valérie Giscard d'Estaing, zijn intern verdeeld over een verdere Europese eenwording. Beide leiders waren vóór ratificatie. Van de mensen die RPR-gezind zijn heeft echter 58 procent tegen het verdrag gestemd. Bij de UDF lag dit percentage op 38 procent.

De uitslag van het referendum mag geen reden zijn om te stellen dat half Frankrijk tegen een verdere Europese integratie is. Het hoge percentage nee-stemmers is niet maatgevend voor de Franse steun voor het Europese Unie-verdrag. Het belang van ratificatie door alle Lid-staten kan dan ook niet in twijfel worden getrokken op grond van deze uitslag. Een afwijzing zal een aanzienlijke vertraging opleveren in het proces naar een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa en dreigt nu te leiden tot een opleving van de eurosclerose uit het begin van de jaren tachtig. Laten we niet vergeten dat het laatste plan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie uit het begin van de jaren zeventig stamt. Een dergelijk oponthoud van meer dan twintig jaar om te komen tot een nieuw verdrag is ongewenst en zal tot een niet meer in te halen achterstand leiden op de twee grote economische concurrenten, Azië en de toekomstige NAFTA (vrijhandelszone tussen Mexico, Canada en de Verenigde Staten).