Eet, praat en gedraag je als een dwaas; De opkomst van de Aziatisch-Amerikaanse literatuur

Plotseling liggen ze in alle boekwinkels in Amerika: romans en verhalen van Chinees-Amerikaanse schrijvers. Het sprookjesachtige succes van The Joy Luck Club van Amy Tan doet uitgevers vechten om de boeken van Gus Lee, Gish Jen en David Wong Louie. Maar wie als Aziaat in Amerika succes wil hebben moet een deel van zijn cultuur opgeven. “We blijven buitenstaanders, eeuwige vreemdelingen in dit land en in elk geval slechts tijdelijke bezoekers in de uitgeverswereld.”

Jeffery Paul Chang en Frank Chin (eds): The Big Aiiieeeee! Uitg. Meridian, 619 blz. Prijs ƒ 33,-. De Nederlandse vertaling van China Boy van Gus Lee is uitgegeven bij uitg. Spectrum; De vreugde- en gelukclub en De vrouw van de keukengod van Amy Tan zijn uitgekomen bij uitg. Bert Bakker.

“Fake is het! Leesvoer voor de blanke Amerikaanse markt!” Namen als Wong, Lee, Jen, Hong vliegen over tafel, en ook die van successchrijfster Amy Tan. “Zij versterkt de racistische stereotypes over Aziaten die in dit land bestaan!”

Frank Chin buigt zich over zijn onaangeraakte Thaise maaltijd naar mij toe; met een lange arm zwaait hij zijn staart terug op zijn rug. Zijn ogen worden boller, zijn neusvleugels wijder. “Decennia lang zijn deze stereotypen over de Aziaten door blanke Amerikanen verspreid, en nu doet een generatie Aziaten die door blanke Amerikanen is opgevoed het nog eens over! Het zijn allemaal christenen, en christenen haten Chinezen!” Hij spuugt de woorden bijna uit, zijn ogen springen heen en weer tussen mij en twee argeloze blanke eters aan een belendend tafeltje. Deed Frank Chin tot zoëven nog pogingen zijn stem te dempen, nu lijkt het erop alsof hij door iedereen gehoord wil worden. “De christenen hebben opium gentroduceerd in China! De christenen waren de eigenaars van de opium-raffinaderijen!” Na elke staccato uitgesproken zin houdt hij zwaar ademend een retorische pauze. “De christenen hebben de Chinezen geleerd zichzelf te minachten!”

Ineens liggen ze in alle boekwinkels: romans en verhalen van Amerikaanse schrijvers van Chinese afkomst. “We hebben nu meer kans dan ooit om ons werk gedrukt te zien”, liet een van hen, Gish Jen, opgetogen weten. De reden daarvoor is uiteraard niet een plotselinge creatieve explosie onder dit bevolkingsdeel, maar het sprookjesachtige succes van de boeken van een van hen, Amy Tan. In 1989 publiceerde deze kleine, timide ogende schrijfster het resultaat van haar wekelijkse werk in een schrijversklasje in San Francisco onder de titel The Joy Luck Club. “Het was een collectie korte biografische verhalen van enkele Chinese moeders en dochters uit mijn omgeving, inclusief mezelf. Op advies van mijn lerares construeerde ik het boek rondom een mah-jong tafel waaraan deze vrouwen verondersteld werden te zitten: dat leverde de mogelijkheid op het boek een roman te noemen. Maar niemand was verbaasder dan ik dat de critici vooral de ingenieuze constructie van de roman roemden toen het boek uit was!”

Speurtocht

Minder dan drie jaar later zijn er zowel van deze roman als van de vorig jaar verschenen opvolger The Kitchen God's Wife (eveneens een moeder/dochter roman gesitueerd in Amerika en China) maar liefst 300.000 gebonden exemplaren en ruim twee miljoen paperbacks verkocht. Beide boeken zijn in meer dan twintig talen vertaald, een onverwacht succes dat de andere grote Amerikaanse uitgevers op een zenuwachtige speurtocht zette naar "de volgende Amy Tan'. Zo lanceerde Knopf een verhalenbundel van David Wong Louie onder de titel Pangs of Love, maar pas nadat de jonge auteur de (half-ware) toezegging had gedaan "dat een roman onderweg was'. En Dutton bracht Gus Lee's Chinaboy uit onder de slogan dat "het boek al vergeleken is met The Joy Luck Club'. Door wie dat was gebeurd, werd verzwegen.

Frank Chin moet het, van al deze Chinese schrijvers, vooralsnog met een klein uitgeverijtje stellen; zijn nieuwe roman Donald Duk verscheen bij de Coffee House Press in Minneapolis en heeft daar geen schijn van kans op een indrukwekkende oplage. Dat lijkt alles te maken te hebben met de eenmansguerrilla die Chin al enkele jaren voert tegen zijn Aziatisch-Amerikaanse collega-schrijvers en hun opportunistische uitgevers. Hun werk, zo betoogt hij, te beginnen met dat van Maxine Hong Kingston, die in de late jaren zeventig The Woman Warrior en China Men publiceerde, bevordert niet alleen alle bestaande vooroordelen over vrouwenhaat in de Aziatische culturen, het misvormt ook de oorspronkelijke mythen waarop het zich zegt te baseren, en het doet alles om maar aan de vraag naar "het exotische' door een blank publiek te beantwoorden. “Het werk van Maxine Hong Kingston en Amy Tan wordt nu op scholen gedoceerd als dé geschiedschrijving van de Aziaten in dit land. Geschiedenis! Dat is hetzelfde als wanneer Mein Kampf op joodse scholen als geschiedschrijving zou worden onderwezen.”

Het zijn dit soort vergelijkingen die Frank Chin de naam van "extremist' hebben gegeven en die de lachlust oproepen van de Californische literaire wereld waar men hem, voorspelbaar genoeg, afgunst verwijt. Toch is Frank Chin misschien wel de oorspronkelijkste schrijver van alle hier genoemde. Hij werd geboren in 1940 in Oakland, studeerde in Berkeley en begon al jong te schrijven nadat hij eerst een carrière als beeldend kunstenaar had overwogen. “Maar toen ontdekte ik een heel belangrijk ding: als ik jouw portret schilder en het bevalt je niet, dan zeg je dat ik een slechte schilder ben; maar als ik een portret van je schrijf en het bevalt je niet, dan sleep je me voor de rechter. Ik houd wel van die macht van het geschreven woord.”

Hij begon zijn carrière twintig jaar geleden als toneelschrijver met The Chickencoop Chinaman, het eerste toneelstuk van een Chinees-Amerikaan ooit in New York opgevoerd. Twee jaar later volgde The Year of the Dragon, maar volgende pogingen bleven zonder succes. “Mijn stukken waren te controversieel in een steeds behoudender tijdperk, het werd ook te duur om ze zonder stipendia op te voeren: geld dat in de vroege jaren zeventig aan zwarten en andere minderheden werd besteed ging in toenemende mate naar vrouwen van elke kleur en afkomst.”

Hij ging verhalen schrijven, die in 1988 werden gebundeld in de verhalenbundel The Chinaman Pacific & Frisco Railroad Company (een verwijzing naar zowel de historische rol van Chinezen bij de aanleg van Amerikaanse spoorwegen als naar Chins eigen verleden als spoorwegman in Oakland). Een soms lyrische bundel, waarin een ingehouden woede het onrustige zoeken naar vorm moet maskeren. Sarcasme overheerst in de meest realistische momenten, zoals in het portret van de zakenman Jimmy Chan in het gelaagde verhaal "The Only Real Day', die een verre verwant de straat op stuurt als deze hem om financiële steun komt vragen: "Je had jezelf al deze moeilijkheden kunnen besparen als je je bijtijds had gerealiseerd dat de lo fan, de blanken, ons Chinezen alleen maar appreciëren als een soort bezienswaardigheid. Kijk naar mij. Ik eet, praat, kleed en gedraag me als een dwaas, en de lo fan komen in drommen mijn restaurant binnen. Ze noemen me Jimmy. Ik word een Amerikaans staatsburger, niet omdat ik zo wil zijn als zij maar omdat het goed is voor mijn business!'

Chinatowns

Een even cynische toon overheerst in Chins vorig jaar uitgekomen, bij vlagen geestige roman Donald Duk; maar zijn substantieelste bijdrage aan de literaire geschiedenis verscheen vorig jaar in de bloemlezing The Big Aiiieeeee!, een anthologie van Chinees-Amerikaanse en Japans-Amerikaanse literatuur die mede door hem werd samengesteld en waarvoor hij de polemische inleiding schreef. Het is moeilijk Chins argumentering samen te vatten omdat hij zich zowel sprekend als schrijvend met regelmaat overschreeuwt; maar het gaat hem er om in deze bloemlezing schrijvers bijeen te brengen die niet bijdragen aan de Amerikaanse vooroordelen tegen Aziaten. Behalve werk van hemzelf en zijn medesamenstellers komt dat neer op bijvoorbeeld negentiende-eeuws proza van Sui Sin Far (Edith Maud Eaton was haar westerse naam) en enkele hoofdstukken uit Eat a Bowl of Tea van Louis Chu. Deze ironische roman, een beschrijving van de Amerikaanse Chinatowns van de jaren veertig waar Chinese gastarbeiders leven "zonder de vrouwelijke familieleden van wie ze door racistische immigratiewetten waren gescheiden' wordt in Chinees-Amerikaanse kringen nog steeds veel gelezen.

Voor het overige, aldus Chin, wordt het proza doordrenkt van de wens de blanke christelijke lezers te behagen en van de drang bestaande stereotypen te bestendigen. Bijvoorbeeld dat "de Chinese en Japanse cultuur zo vervuld is van vrouwenhaat dat ze het niet verdient te overleven. De mannen zijn intelligent, briljant en pervers, acceptabele pervertelingen zoals Charlie Chan, de goede christelijke bekeerling, of onacceptabele pervertelingen als Fu Manchu (-) De Aziatische cultuur is anti-individualistisch, mystiek, passief en moreel en ethisch tegengesteld aan de westerse cultuur.'

Al deze opvattingen zijn vals, betoogt Chin, maar de door hem bestreden schrijvers uit de christelijk-autobiografische traditie werken er aan mee ze te bestendigen, en daarmee is hun succes in Amerika verklaard. En als een van de meest aansprekende voorbeelden noemt Chin "het zogenaamd Chinese sprookje waarmee Amy Tan haar Joy Luck Club opent, over een eendje dat een zwaan wil zijn en een moeder die ervan droomt dat haar dochter in Amerika geboren zal worden, waar ze perfect Engels zal spreken en waar "de waarde van een vrouw niet afgemeten wordt aan hoe hard haar man kan boeren.'

Dergelijke sprookjes bestaan niet in China, aldus Chin. "Dit is Confuciaanse cultuur gezien door de ogen van Hollywood (-) Eendjes op het erf komen in Chinese sprookjes niet voor, behalve om opgegeten te worden. Zwanen zijn niet het symbool van fysieke vrouwelijke schoonheid, ijdelheid en overspel zoals in het westen. Chinezen bewonderen het feit dat zwanen een paar vormen voor het leven. Er is nergens in Chinese sprookjes een rechtvaardiging te vinden voor het afmeten van de waarde van een vrouw aan hoe luid haar man kan boeren.'

Amy Tan (die nog steeds deel uitmaakt van haar wekelijkse schrijfklasje en aan een nieuwe roman werkt) moet tot haar spijt afzien van een gedetailleerde reactie op de kritiek van Chin. “Ik ben een lezing aan het voorbereiden over dit onderwerp en ik wil daar niet op vooruitlopen. Frank Chin stelt een kwestie aan de orde die het verdient serieus genomen te worden en die dan ook een complex antwoord vereist; hoe ik er ook over nadenk en hoe ik me probeer in te leven in Franks motieven, waar het op neer komt is dat hij iemand is die zegt dat er maar één manier is om je ras te vertegenwoordigen en, kort gezegd, één manier om te schrijven. Ik kan dat wel afdoen als een soort cultureel fascisme dat door mensen van enige redelijke intelligentie niet serieus kan worden genomen; maar dat is wel de makkelijkste manier om conflicten te beslechten.”

Buurt-bruut

Gus Lee, wiens China Boy ook in het Nederlands werd vertaald, uit zich glimlachend in soortgelijke bewoordingen. “Waar Franks bezwaar op neerkomt is dat a) wij niet zo schrijven als hij schrijft, en b) dat blanken onze boeken waarderen. Ik verwerp het idee dat er één enkele manier zou bestaan om Chinese mythologie over te dragen.”

China Boy is de Chinese versie van de klassiek-Amerikaanse ontwikkelingsroman, een verhaal zoals we dat van andere etnische groeperingen in films en populaire literatuur maar al te goed kennen: het kleine, zwakke jongetje dat zich leert verzetten tegen de sadistische buurt-bruut (ook nog van een ander ras in dit geval) en zichzelf uiteindelijk met een klinkende overwinning tot man slaat. Een hilarisch, hier en daar wat al te snappy geschreven Rocky- (of beter gezegd: Locky, in Lee's - zelfspottende - transcriptie) verhaal dat een mooie extra dimensie krijgt door de portretten van zijn vader, moeder en stiefmoeder.

Frank Chins oordeel was hardhandig: "Lee omarmt het stereotype van de passieve Chinees die zichzelf als uitzondering op de regel beschouwt door zich tegen de Confuciaanse traditie te verzetten en te leren vechten. Blanken zullen er dol op zijn.' Dat laatste bleek te kloppen, want van China Boy verscheen zojuist een grote pocket-oplage en Gus Lee (die zichzelf als een amateur-schrijver beschouwt: hij is prominent lid van de Californische Rechtbank) werkt aan een volgende roman die op de Militaire Academie van West Point speelt.

Lee, een korte, gedrongen man aan wie de bokslessen die hem over zijn jeugdtrauma tilden nog goed zijn af te zien, werd in San Francisco geboren nadat zijn familie in de jaren veertig hier naartoe was gevlucht. Zijn moeder stierf toen hij klein was, zijn vader was doorgaans afwezig, zoals in Chinese aristocratische families gebruikelijk is. “Ik wilde dat mijn vader me zou redden, maar dat deed hij niet: niet van de jongens in de buurt, en al helemaal niet van mijn stiefmoeder. Mijn teleurstelling daarover heb ik onderdrukt in dit boek, maar ik besteed wel veel aandacht aan allerlei "surrogaat-vaders.' ”

Vuurlinie

Van allen die in de vuurlinie van Frank Chin kwamen te liggen is David Wong Louie het nog het meest met hem eens, met name over Amy Tan: “Ik ben echt op haar eerste boek gesteld, ze is een goede anekdotenschrijver; maar er zit een zekere naviteit in haar werk, haar karakters conformeren zich te vaak, vooral als ze in China zijn, aan de ideeën die blanke Amerikanen hebben over hoe Chinezen zich gedragen. Als je deel uitmaakt van een minderheid kun je nu eenmaal niet net doen alsof je onkundig bent van de vooroordelen die over je volk bestaan.'

Wong Louie heeft grote reserves tegenover de recente belangstelling voor Aziatische schrijvers. “We blijven buitenstaanders, eeuwige vreemdelingen in dit land en in elk geval slechts tijdelijke bezoekers in de uitgeverswereld. Als die "nieuwe Amy Tan' er niet gauw is, is het ook zo weer afgelopen. Het punt is natuurlijk dat wij altijd geschreven hebben maar dat onze manuscripten nu pas serieus worden genomen. Natuurlijk ben ik blij met de aandacht voor mijn boek, maar ik begrijp niet waarom mijn verhalen door recensenten samen met die van andere Aziatisch-Amerikanen moeten worden besproken.”

Voor David Wong Louie is dat extra wrang omdat zijn - onevenwichtige - collectie verhalen merendeels in een sophisticated en beslist niet exotisch Amerika is gesitueerd. “Natuurlijk ben ik blij met een recensie waarin staat dat "mijn werk in de mainstream van Amerika' thuishoort, maar aan de andere kant: waarom zou het daar niet thuishoren? Ik hoop dat mijn verhalen goeie verhalen zijn en dat ze daarom worden gewaardeerd, en niet vanwege een of andere marketing-strategie.”

De genoemde auteurs (die allen in Californië wonen) zijn het in wisselende mate eens met Frank Chins bewering dat de weg naar een succesvol bestaan in Amerika voor Aziaten betekent: een deel van hun cultuur onderdrukken. Amy Tan is van mening dat discriminatie van Aziatisch-Amerikanen alleen maar erger is geworden sinds de jaren zestig. “Niet in de Ku Klux Klan-zin van het woord, maar subtieler. Wij hebben het nu goed, lijken de blanken te zeggen, en we hebben dit ook verdiend; we zitten hoog en droog en kunnen de ladder omlaag schoppen als anderen omhoog willen klimmen. Nu de hoeveelheid Aziaten die hierheen komt zo explosief groeit wordt die tendens sterker. Er rust ook weer een minder groot taboe op het doen van racistische uitspraken, dat merk ik steeds meer: zoals laatst in een televisiediscussie over Cambodjaanse jeugdbendes in Los Angeles, waarin iemand zei: we hebben er indertijd niet genoeg afgemaakt daar. Onze boeken hebben weinig bijgedragen aan het kweken van meer begrip, ben ik bang.”

De avond na ons gesprek treedt Frank Chin op als verteller van sprookjes op het Chinese Volle Maan Festival in een klein theater in Venice. Hij sist en gromt als hij vertelt van de vos en de tijger en de draak en de feniks, en hij rolt met zijn ogen, niet minder dan wanneer hij zijn woede spuit over zijn literaire tijdgenoten. Het publiek is een microkosmos van Californië, met zwarte en gele en blanke en Chicano-kinderen.

Met zijn Amerikaanse jive-talk, zijn twee meter lange gestalte en zijn blues-gitaar lijkt Frank Chin de verpersoonlijking van een begrip dat hij zegt te verfoeien. “Wat er mis is met assimilatie?” herhaalt hij retorisch als de kinderen naar huis zijn. “Assimilatie betekent voor iedereen behalve de blanken dat ze hun cultuur, en dus een deel van hun identiteit opgeven. Het is een blanke en racistische veronderstelling dat wij Chinezen hier kwamen om te assimileren.” En hij vertelt nog één Chinees sprookje om zijn betoog te illustreren, te lang om hier na te vertellen. “Maar de moraal is: iemand die hier naartoe komt hoeft zijn kinderen nog niet op te geven in ruil voor het goede leven. We hoeven elkaar, als verschillende rassen naast elkaar in een monsterstad als Los Angeles, ook helemaal niet aardig te vinden om te kunnen overleven. We hoeven elkaar zelfs niet eens te begrijpen. Zolang we het maar over één ding eens zijn: dat er honderd centen in een dollar gaan.”