Een bescheiden, maar gestage groei

De chaos op de valutamarkten zorgde de afgelopen weken voor een internationale crisissfeer. Maar ook in de reële economie lopen de zaken minder florissant. Het Centraal Planbureau noemde vorige week de internationale cijfers die na juli bekend werden “zonder meer teleurstellend”.

In Nederland ontwikkelen de zaken zich echter vooralsnog conform de prognoses. Zelfs na de berichten over Fokker, Philips en andere bedrijven is voor paniekvoetbal geen reden. De economie groeit nog altijd gestaag, al is die groei bescheiden. De binnenlandse vraag groeide de eerste zeven maanden van 1992 aanzienlijk trager dan in 1991, de groei van de export bleef slechts een fractie achter bij die van vorig jaar.

Het volume van het bruto binnenlands produkt, de beste maatstaf van de economische activiteit, lag in het tweede kwartaal dit jaar 1,5 procent boven het niveau van april-juni vorig jaar. Vorig jaar bedroeg de groei 2,2 procent, het jaar daarvoor 3,9.

Het volume van de gezinsconsumptie groeide in januari-juli 1992, ten opzichte van het overeenkomstige tijdvak in 1991, met slechts 1,4 procent. Een forse terugval, want in 1991 kwam de groei nog uit op 3,2 procent. Maar toen groeide de consumptie in Nederland, waarschijnlijk door de (lang verbeide) loonstijgingen, aanmerkelijk sneller dan in de ons omringende landen. Dit jaar is daarvan geen sprake, al ligt ook nu de Nederlandse consumptiegroei boven die in Duitsland (geen groei in het eerste kwartaal) en het Verenigd Koninkrijk (opnieuw een daling).

In Nederland wordt dit jaar vooral op de aankoop van duurzame goederen bezuinigd: dat volume lag in januari-juli 1,1 procent lager dan vorig jaar. De teruglopende woningbouw speelt daarbij ongetwijfeld een rol. Minder nieuwe huizen betekent minder nieuwe keukens, meubels, en wat niet al. Maar hier gloort hoop. Nadat het aantal woningen waarvan de bouw begon in 1990 en 1991 fors is gedaald (met 10 respectievelijk 13 procent), volgde in 1992 tot dusver een herstel (januari-juli: plus 5 procent ten opzichte van de overeenkomstige periode 1992).

Bovendien is de hypotheekrente woensdag met gemiddeld 0,5 procent verlaagd, nadat de tarieven begin dit jaar met gemiddeld 0,3 procent daalden. Rijst de vraag: daalt de rente verder?

Dat hangt vooral af van de Bundesbank. De Nederlandsche Bank heeft sinds 1989, onder druk van de Duitse geldgroeibestrijders, haar wisseldiscontro moeten verhogen van 5 procent tot 8,5 procent. De lange rente ging ook omhoog, maar minder. Het resultaat was een inverse rentestructuur: voor lang lenen moet je minder rente betalen dan voor kort! Medio september, toen de EMS-ketel eindelijk ontplofte, ging het wisseldisconto terug naar 8 procent.

Een verdere rentedaling stimuleert niet alleen de woningbouw, maar heeft ook effect op de consumptie. De gezinsbesparingen, dit jaar toch al teruglopend, nemen dan verder af. Werd in de eerste helft van 1991 voor 6,6 miljard gulden gespaard, in de eerste helft van dit jaar was dat nog 5,4 miljard.

Toch is de CBS-index van het consumtenvertrouwen in agustus en september gedaald. Het afnemend vertrouwen was vooral te wijten aan een negatievere perceptie van het "economisch klimaat'. De eigen financiële stituatie beoordeelde de Nederlandse consument tamelijk gunstig, positiever dan ooit sinds oktober 1990. Leidt dit binnnenkort tot meer consumptie?

Een andere belangrijke motor van de Nederlandse economie is de vraag uit het buitenland. Het volume van de Nederlandse export steeg de eerste zeven maanden van 1992 met 4 procent, tegen een groei van 5 procent in 1991 en 6 procent in 1990. Een lichte terugval dus, maar tot dusver lopen de zaken toch iets beter dan het Centraal Planbureau vorige week voorspelde (een groei over heel 1992 van 3,5 procent). In 1992 is Duitsland als exportmotor min of meer weggevallen, en zijn de Nederlandse lonen aanzienlijk gestegen (zij het minder dan in het buitenland). De groei van de export ging dan ook ten koste van lagere prijzen en krimpende winstmarges. Het voorbeeld bij uitstek van dat fenomeen was de chemie: de uitvoer van deze bedrijfstak kon de eerste zeven maanden van 1992 (met 5 procent) zelfs sneller stijgen dan in 1991 (1 procent).

Misschien dat de zaken alsnog tegenvallen als internationaal de financiële chaos overslaat naar de reële economie. Waarschijnlijk lijkt dat overigens niet. Het Centraal Planbureau, dat in september, net als in april, voor 1992 een exportgroei van 3,5 procent voorspelde, presenteert een sombere variant waarin de export nog slechts met 2,5 procent zou toenemen. Dat lijkt, gelet op de jongste cijfers, nauwelijks waarschijnlijk. Realistischer zijn wellicht de somberder prognoses voor 1993. Nadat het CPB in april voor 1993 nog een exportgroei van 6,25 procent in het vooruitzicht had gesteld, en in september terugging naar 5,5 procent, komt de sombere variant voor 1993 zelfs niet hoger dan 4 procent. De marges in de ramingen zijn momenteel groot, dat is duidelijk. Maar een somberder prognose voor 1993 heeft aan overtuigingskracht gewonnen.

Tot slot iets over de politiek meest gevoelige conjunctuurbarometer, de werkloosheid. Met de "geregistreerde werkloosheid', die is gebaseerd op gegevens van de arbeidsbureaus en enquêtes van het CBS, gaat het, gelet op de trage conjunctuur, nog steeds goed. In juni-augustus lag het maandgemiddelde op 274.000 "geregistreerde werklozen', 28.000 minder dan in de overeenkomstige periode van 1991 en 4.000 minder dan het gemiddelde van mei-juli.

Maar... wat zijn deze cijfers waard, nu het aantal werkloosheidsuitkeringen al weer geruime tijd (voorjaar 1991) stijgt? Trekken ingeschreven werklozen zonder uitkering zich ontmoedigd terug van de arbeidsmarkt? Zijn de steekproeven van het CBS te onnauwkeurig? Krijgen meer deeltijdwerklozen een uitkering zonder dat ze naar werk zoeken? Het Planbureau noemt alle drie mogelijkheden, maar het definitieve antwoord blijft vooralsnog uit.