Een acteur is geen rekwisiet; Casting-director Hans Kemma over film en toneel in Nederland

“Film en toneel hebben elkaar verschrikkelijk hard nodig,” zegt Hans Kemna, die de rolbezetting verzorgt van veel Nederlandse speelfilms en toneelstukken. Kemna is jurylid van de Nederlandse Filmdagen die deze week in Utrecht worden gehouden, met onder meer een retrospectief op het werk van de vijf jaar geleden overleden regisseur Adriaan Ditvoorst en een documentaire over deze "geobsedeerde buitenstaander'.

Waarschijnlijk ontvangt casting-director Hans Kemna al zijn bezoek op dezelfde wijze. Geroutineerd schuift hij een grote archiefkast open, wijst naar ontelbare ordners en zegt: “Mijn bestand. Zes- à zevenhonderd namen. Ik weet van iedereen wat hij of zij doet.” Later zal hij op de vraag of hij veel concurrentie heeft met een lichte hoofdknik weer naar de archiefkast wijzen en eenvoudig zeggen: “Ik ben de oudste en de beste. Dat is nu eenmaal zo.”

Sinds 1980 heeft Kemna (52) een officieel castingbureau, voordien oefende hij zijn vak lange tijd op informele wijze uit. Aanvankelijk was hij zelf acteur, hij kwam in 1963 van de toneelschool af. Die opleiding was een logische keuze: “Ik ben grootgebracht met toneel. Mijn ouders waren er dol op en ik ook en ik ben het nog steeds.” Desondanks bleek al snel dat hij niet was voorbestemd een legende te worden en toen hij door zijn bijrol in de televisie-serie Floris in de filmwereld terecht kwam, verlegde hij van lieverlee zijn terrein. Hij was produktieleider bij Fons Rademakers, toen die Max Havelaar maakte en hij was lange tijd regie-assistent bij Paul Verhoeven. De casting, het zoeken en vinden van de juiste acteur of actrice voor de juiste rol, deed hij er intussen bij.

Nu, na zoveel jaar, lijkt Kemna de ideale figuur om mee van gedachten te wisselen over de relatie tussen de Nederlandse toneel- en filmwereld. Die relatie - de produktionele, personele en esthetische verbindingen - is het thema van een retrospectief tijdens de Nederlandse Filmdagen. Per jaar verzorgt Kemna de rolbezetting van drie à vier speelfilms, van ongeveer vijftien toneelprodukties, van enkele televisie-series (“Ik doe vierentwintig "Vlaamsche potten' per seizoen: die hebben iedere week wel een paar gastspelers nodig”) en van "niet al te veel' commercials. Daarnaast is hij de agent van bevriende acteurs als Pierre Bokma en Viviane de Muynck, maar “dat is een hobby”.

Kemna heeft een vaste verbintenis met Toneelgroep Amsterdam van Gerardjan Rijnders, een gezelschap met een eigen tableau, en met Het Zuidelijk Toneel, een zogenaamde "toneelvoorziening' waar artistiek leider Ivo Van Hove voor iedere produktie nieuwe acteurs moet aantrekken. “Toneelgroep Amsterdam is een gezelschap, een ensemble: de acteurs die daar zitten, hebben op de een of andere manier affiniteit met elkaar. Bij Het Zuidelijk Toneel ligt dat anders; mijn werk daarvoor is vergelijkbaar met dat voor een speelfilm. Je begint iedere keer vanaf nul. Dat wil zeggen dat ik me niet alleen moet afvragen welke acteur het geschiktste is voor een bepaalde rol, maar ook of hij psychologisch-of-hoe-je-het-noemen-wilt bij de regisseur past en bij zijn collega's.

“Vooral bij het toneel weegt dat zwaar. Daar kan de verstandhouding tussen mensen, hun verwantschap, het welslagen van een produktie uitmaken. Blijken de acteurs niet overweg te kunnen met de regisseur bij voorbeeld, dan is dat niet minder dan een ramp. Dan komt de voorstelling er eenvoudigweg niet. Bij film houd ik er wel rekening mee, maar ik heb net nog meegemaakt - en de film moet nog uitgebracht worden dus ik kan geen namen noemen - dat de hoofdrolspeelster en de regisseur de laatste twee opnameweken alleen nog maar met briefjes communiceerden. Niets van te zien! Bij toneel is dat ondenkbaar.”

Nieuwkomers

Het acteursbestand waaruit het toneel kan putten is groot, maar de Nederlandse film lijkt aangewezen op het kleinst denkbare kringetje. Altijd ziet men dezelfde gezichten terug: Jeroen Krabbé, Renée Soutendijk, Rijk de Gooijer, Thom Hoffman, Willem Nijholt. En nieuwkomers als Johanna ter Steege zijn zeldzaam. Kemna erkent dat hij het verwijt vaak te horen krijgt. “In dat grote bestand van mij zit een harde kern van misschien vijfentwintig acteurs en actrices. En die cast ik zowel voor toneel als voor film.

“Maar dat is niet het enige probleem. Er zijn veel praktische bezwaren verbonden aan film. Een filmregisseur moet zijn acteurs altijd op stel en sprong hebben: als eindelijk de financiering rond is, wil hij ook meteen gaan draaien. En dat kan niet, althans niet met de acteurs die je zou willen hebben. Alle leuke mensen zijn altijd bezet. Die zijn elders verplichtingen aangegaan, in het toneel programmeert en cast men juist in een vroeg stadium. Als ik dus van mijn ideale cast twee spelers daadwerkelijk strik, mag ik in mijn handen klappen.

“Een ander obstakel is dat er in Nederland beroerde filmscenario's geschreven worden, met beroerde dialogen. Dat wil ik acteurs niet aandoen, de glamour is er toch al snel vanaf, als ze eenmaal de praktijk op de set ervaren hebben: eindeloos wachten en kleffe boterhammen. Ik vind het doodzonde dat een acteur als Pierre Bokma niet vaker te zien is in films, maar hij heeft het niet in zich thuis te gaan zitten wachten tot er eindelijk een goed script in zijn bus rolt. Dat moet je kunnen. Daarbij heeft hij, om werkelijk te excelleren, de geborgenheid van een gezelschap nodig, zoals bij Toneelgroep Amsterdam.”

Kemna leest "in bed en in de weekends' tien scripts en toneelstukken per week: “Ik verdien heel veel, maar ik werk ook erg hard.” Hij is avond aan avond op pad, om naar toneel te kijken, en ook de informele voorstellingen op de toneelopleidingen ontgaan hem niet. Hij maakt deel uit van de jury van de Nederlandse Filmdagen en heeft in die hoedanigheid in tien dagen honderddertig films bekeken. Hij vindt het een eer jurylid te zijn, nieuwe gezichten zal hij er niet zo snel door ontdekken.

“Daar gaat het ook niet om, in dit vak. Belangrijk is dat je al bekende gezichten volgt, de ontwikkeling van mensen ziet. En dan nog kun je je vergissen. Goede toneelacteurs kunnen op film niet om aan te zien zijn en omgekeerd. Jessica Lange bij voorbeeld, Richard Dreyfuss en Joan Collins - al die toch beroemde filmsterren hebben zich de laatste jaren op het toneel gewaagd en ze zijn allemaal afgemaakt, weggeschreven. Alleen een filmacteur als John Malkovich maakt op toneel als het ware zijn eigen close-ups.

“Op het toneel spelen is moeilijker dan in een film spelen, anderzijds moet een filmacteur, meer dan een toneelacteur, dat ondefinieerbare iets bezitten. Vraag me niet naar wat het is, schoonheid hoeft het in elk geval niet per se te zijn. Tussen de honderd die auditeren zit er ineens één op de monitor van wie je je ogen niet af kunt houden.”

Dat niet veel regisseurs toneel en film regisseren, zoals bij voorbeeld Frans Weisz doet, vindt Kemna heel begrijpelijk. Het zijn twee volstrekt andere middelen: dat Weisz, wiens Bij nader inzien hij castte, zo af en toe toneel maakt, is voornamelijk om ervaring met het regisseren van acteurs op te doen.

“Bij toneel wordt gerepeteerd, daar moet een acteur samen met anderen een spanningsboog opbouwen en onderhouden. Bij film wordt nauwelijks gerepeteerd, meestal maken de acteurs zelf wat afspraken. Een filmregisseur is vooral een technisch organisator, om het oneerbiedig te zeggen.

“Toch hebben film en toneel elkaar verschrikkelijk hard nodig, film zou zonder toneel en de acteurs die daar werken niet kunnen bestaan. Er bestaat toch geen aparte filmacteurs-opleiding? Begrijp me goed: die hoeft er ook niet te komen. Ik merk gelukkig, dat filmregisseurs hoe langer hoe meer toneel gaan zien. Ze begrijpen zo langzamerhand dat een acteur geen rekwisiet is. Dat juich ik toe, ja, want ik weet dat al heel veel langer.”