Duitsers werken te hard; Het dagboek van Matthieu Galey

Matthieu Galey: Dagboek. Keuze, vertaling en nawoord: Joop van Helmond. Uitg. Arbeiderspers, 586 pag. Prijs ƒ 69,90.

Toen ik in 1989 in Parijs de bezorgster van het nagelaten werk van Léautaud, Edith Silve, interviewde en haar vroeg of Léautaud als dagboekschrijver opvolgers had in Frankrijk, hoefde zij niet lang na te denken voor zij Matthieu Galey noemde. Galey was in 1986 overleden, en het tweede en laatste deel van zijn Journal was toen net verschenen. Ik kocht het onmiddellijk en moest toegeven dat er in ieder geval wel een aantal uiterlijke overeenkomsten zijn aan te geven. Beide schrijvers werkten bij een uitgeverij, Léautaud bij de Mercure en France en Galey bij Grasset, beiden schreven toneelkritieken, en, wat het belangrijkste is, beiden kwamen door hun werk in contact met veel mensen, vooral schrijvers, over wie zij in hun dagboek met een aanstekelijke bezetenheid wisten te rapporteren.

Maar de verschillen wegen waarschijnlijk toch zwaarder. Léautaud, de nukkige kluizenaar van Fontenay-aux-Roses, voelde zich het prettigst thuis, schrijvend aan zijn Journal of lezend in een boek van een van zijn dierbare schrijvers, en omringd door een grote schare huisdieren. Weg hoefde hij niet. De grootste afstand die hij ooit aflegde was naar Pornic, een badplaatsje in Bretagne. Galey daarentegen wekt de indruk dat hij vrijwel nooit thuis was. Altijd op bezoek, tuk op de omgang met anderen en grote reizen makend naar Noord- en Zuid-Amerika, Rusland, Berlijn, Amsterdam. Men vraagt zich af of deze rusteloosheid te maken had met een zekere angst om alleen met zichzelf te zijn, omdat dát gezelschap hem nooit erg vrolijk stemde. Als hij op 32-jarige leeftijd de balans opmaakt schrijft hij: "Een bescheiden, onnatuurlijke bekendheid. Jonge jaren vol avonturen, (in dat opzicht geen spijt). Twee liefdes! Een klein boekje dat weinig oplevert. Zelfs geen spaarcenten. Een analytische intelligentie, die reeds uitgeput begint te raken. Geen geloof, noch diepgaande overtuigingen. Geen politieke partij. Weinig literaire overtuigingen. Een echte luiheid, maar veel bezigheden. Angst om mijn nek uit te steken, besluiteloosheid. Gebrek aan enthousiasme in mijn vak als criticus. Geen orde. Misschien zelfs geen ambitie. Geen leefregels. Obsessie over een ellendige toekomst. Geen enkele zekerheid (in alle betekenissen van het woord). Een slechte gezondheid, in staat om er flink tegenaan te gaan, maar geen wilskracht, lafhartig en afstandelijk.'

Hoewel er ongetwijfeld de nodige koketterie zal zitten in deze montere opsomming van negatief geformuleerde eigenschappen, blijkt er toch ook wel uit dat hij maar liever niet te veel over zichzelf moest nadenken. In plaats daarvan richt hij zich op de anderen en vindt daar over het algemeen aanzienlijk meer te bewonderen. Ook dat is een verschil met Léautaud, die ook wel kon bewonderen, maar toch vooral uitblonk in het genadeloos weergeven van de ijdelheden en zwaktes van de mensen in zijn omgeving. Een misantroop als Léautaud was Galey dus niet, maar hij kon zijn medemens even scherp observeren, wat een aantal fraaie portretten oplevert.

Spierziekte

Men kan zich hiervan overtuigen door lezing van een keuze uit het dagboek die Joop van Helmond maakte en in het Nederlands vertaalde. Een ruime keuze, want zij beslaat ongeveer de helft van het origineel. Matthieu Galey werd in 1934 geboren en toen hij begin 1986 stierf was hij dus 51. Veel te jong natuurlijk, maar hij leed de laatste paar jaar aan een ongeneeslijke spierziekte, laterale amyotropische sclerose, of ziekte van Charcot, zoals hij zelf schrijft. Door deze ziekte werd het gebruik van armen en benen geleidelijk aan moeizamer, terwijl ook de spieren van zijn stembanden dienst gingen weigeren. In zijn dagboek beschrijft hij de langzame voortschrijding van dit verval op een wonderlijk afstandelijke manier die goed bij hem past: het lukt hem ook nu vaak niet goed om stil te staan bij zichzelf, en op zulke momenten verplaatst hij zich maar weer in de ander. Als hij bij voorbeeld van de dokter de definitieve diagnose hoort, heeft hij "zin om hem te troosten . . . Hij leek zo slecht op zijn gemak en ik begreep de arme kerel maar al te goed.' Om dezelfde reden vertelt hij het ook pas laat aan zijn zuster en ouders, bang hen "ongerust' te maken. Het neemt niet weg dat ik dit verslag van een ziekte nogal indrukwekkend en bij vlagen zelfs aangrijpend vind, niet alleen door dit vermogen tot afstand, maar vooral ook door zijn observatievermogen dat hem ook nu niet in de steek laat.

Galey heeft dan al de meeste van de schrijvers overleefd met wie hij bevriend was en die hoofdrollen spelen in zijn dagboek, maar zij behoorden dan ook tot oudere generaties: Chardonne, Morand, Aragon en vooral Jouhandeau, die zeer herkenbaar wordt geschetst: "Een geile, oude man die - op zijn zevenenzeventigste! - beweert dat hij veertien dagen geleden in zijn werkkamer is verkracht boven het hoofd van zijn vrouw, die een verdieping lager slaapt.' Deze zelfde Jouhandeau wil op zeker moment hem, Galey, de verstokte homoseksueel, zelfs koppelen aan zijn pleegdochter Céline. In Aragon herkent Galey de poseur, maar voor de schrijver heeft hij een "onverdeelde bewondering'. Ook de jongere Modiano bewondert hij zeer, en zo ontmoette Galey de bedeesde en onzekere auteur in 1978, toen hij de Goncourt kreeg: "Ik zie hem zitten, gazelle in een klein kantoor, in het nauw gedreven door een meute cameramannen en fotografen, een dolle blik in de ogen, verwilderd als een moordenaar die men op heterdaad betrapt.' Er zijn maar weinig schrijvers tegen wie Galey iets heeft. Onder hen Isherwood, "een miezerig heertje, dat een opgejaagde indruk maakt' en dat zich "met zeldzame volharding onuitstaanbaar betoonde', maar ook, het zij met enige verbazing vermeld, Yourcenar. Over haar publiceerde Galey immers een boek met interviews, Les yeux ouverts? Haar medewerking echter met het persklaar krijgen van het boek liet zeer te wensen over. "En als ze me dan nog een onvergankelijke tekst aanleverde. Maar niks hoor, omfloerste banaliteiten die uiteindelijk iedereen zullen vervelen.'

Galey's faam van openhartigheid maakte de postume publikatie van de dagboeken al meteen tot een gebeurtenis. Hij is tot het einde bezig geweest met het redigeren van de tekst, maar veel "gekuist' zal er niet zijn, want wat men in een dagboek schrijft is toch nooit meer dan "het puntje van de ijsberg', zoals hij zelf zegt. Van zijn homoseksualiteit krijgt men een goed beeld, maar zonder dat er al te zeer in details wordt getreden. Galey was per slot geen Jouhandeau. Hij heeft in de loop der tijden een paar vaste vrienden, maar daarnaast vele vluchtige contacten, waarvoor vooral zijn reizen een goede gelegenheid boden. Amsterdam was daarbij favoriet, omdat het er bijzonder makkelijk blijkt om partners te krijgen. Maar ook in ander opzicht heeft hij een zwak voor ons land, dat zo gunstig afsteekt bij bij voorbeeld Duitsland. Daar immers "zijn de mensen niet beschaafd, ze werken te hard'.

Een mooi boek, waarvan de vertaling zich zeer plezierig laat lezen. Ik vond maar een of twee "uitglijders'. Als Galey schrijft, over Rotterdam, als over een "terrain vierge en 1945', dan vertaalt Van Helmond dat door: "Na in '45 plat te zijn gebombardeerd . . .' Die vrijheid heb je natuurlijk maar dan moet '45 wel vervangen worden door '40. Prachtig in het boek vond ik de laatste woorden van Thomas Mann: "Waar is mijn bril?' Daar kun je eindeloos over nadenken. Galeys eigen laatste woorden schreef hij een paar uur voor zijn dood: "Laatste beeld: het sneeuwt. Onbevlekte hemelvaart.'