De eekhoorn zat op de tak voor zijn deur en ...

De eekhoorn zat op de tak voor zijn deur en voelde zich moedeloos. Het was een eigenaardig gevoel dat hij wel vaker had als het slecht weer was of als er een hele dag niemand toevallig langskwam. De mier had hem verteld dat dat gevoel moedeloosheid heette.

Het was een grijze dag en de eekhoorn kon maar niet besluiten om naar binnen te gaan. Hij pakte een stuk berkeschors dat naast zijn deur lag en begon zomaar een brief te schrijven. "Beste' schreef hij. Toen stopte hij. Beste wie? dacht hij. Hij kon niemand bedenken. Hij zuchtte en schreef verder.

Beste

Ik wou dat ik eens

Meer schreef hij niet.

Dat heb ik altijd als ik me moedeloos voel, dacht hij. Dan weet ik niet wat ik wil.

Er stak een klein briesje op dat de brief uit zijn handen blies en tussen de bomen door weg liet waaien.

De eekhoorn zuchtte opnieuw. De lucht werd zwart. Er viel een dikke regendruppel op zijn neus. Dat dacht ik wel, dacht de eekhoorn en liet zijn schouders zakken.

Het ging niet echt regenen, maar het bleef wel donker en kil en de eekhoorn werd steeds moedelozer. Ik denk, dacht hij, dat ik nog nooit zo moedeloos ben geweest. Dat gaf hem even een tevreden gevoel, maar niet lang.

Aan het eind van de middag woei er een brief voorbij, die achter een tak bleef hangen. Die is vast niet voor mij, dacht de eekhoorn somber. Maar hij pakte de brief wel en maakte hem open.

Beste

Ik wou dat ik ook eens

las hij.

Het was een kriebelig handschrift dat de eekhoorn nog nooit had gezien.

Hij hield de brief omhoog om er doorheen te kijken, voelde aan alle letters en wist niet wat hij ervan moest denken. Het was geen brief van de walvis of de olifant of de pad of de zwaluw of de aardworm - dat kon hij wel zien.

Het is echt een brief van een onbekende, dacht de eekhoorn. Wat zou hij bedoelen? En wie zou de Beste zijn?

Het was schemerig geworden. De eekhoorn schudde zijn hoofd. Ik wou, dacht hij, dat ik eens iets heel bijzonders bedacht. Hij keek om zich heen. En plotseling had hij het gevoel dat er nog iemand was, een onbekende, die ook wilde dat hij eens iets heel bijzonders bedacht.

Weer viel er een regendruppel op zijn neus. En nog een. Het begon echt te regenen. De eekhoorn stond op. Zou dit nu een verloren dag zijn? dacht hij. Hij besloot om binnenkort eens aan de mier te vragen wat een verloren dag precies was, en wat voor andere dagen je had.

Hij ging naar binnen. Maar toen hij in de deuropening stond draaide hij zich om en riep, zo hard mogelijk:

"Ahoi!'

Je weet nooit, dacht hij.

Even was het stil. Toen kwam er van heel ver weg, het leek wel van over de oceaan, een klein beverig stemmetje, dat riep:

"Ook ahoi!'

De eekhoorn knikte en voelde zich opeens veel minder moedeloos. Hij stapte zijn huis in en ging regelrecht naar zijn kast. Ik heb honger, dacht hij. Het was een prettig gevoel, want er stond een grote pot met beukenoten op de bovenste plank.