"De daders mogen dan bekend zijn, maar wie arresteert ze?'

LEIDEN, 25 SEPT. Hun namen liggen op ieders lip. Hun daden tijdens de burgeroorlog in Joegoslavië zijn door waarnemers op schrift gesteld en aan de geegende organen, zoals de VN, overhandigd. De roep om de instelling van een internationaal tribunaal om hen te berechten klinkt allengs luider. De vraag is wel: wie arresteert bijvoorbeeld Slobodan Milosevic, Ratko Mladic, Mirko Jovic, Dragoslav Bokan, en wanneer?

Volgens prof. mr. F. Kalshoven, emeritus-hoogleraar Volkenrecht en gespecialiseerd in humanitair oorlogsrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden wordt in de pleidooien voor de instelling van een internationaal tribunaal voorbijgegaan aan de "ongekende moeilijkheden' die daarmee gepaard gaan. “Wil je verdachten van oorlogsmisdaden voor zo'n tribunaal brengen dan moet je ze eerst in handen zien te krijgen. Bijvoorbeeld door het land te veroveren waar ze zitten en ze vervolgens te arresteren. Dat is in '45 gebeurd maar ik betwijfel of en wanneer dat nu zal gebeuren.”

De na-oorlogse geschiedenis kent twee voorbeelden van internationale rechtspraak inzake oorlogsmisdrijven: de Internationale Militaire Tribunalen van Neurenberg en Tokio. Beide tribunalen waren volgens Kalshoven uitsluitend bevoegd om aangewezen onderdanen van de verliezende partij te berechten en beide tribunalen waren ad hoc lichamen. Het Tribunaal van Neurenberg was een brede rechtsmacht toegekend die drie categorieën omvatte: misdrijven tegen de vrede, misdrijven tegen de menselijkheid en de eigenlijke oorlogsmisdrijven, zoals het schenden van de wetten en gebruiken van de oorlogvoering. Het begrip "misdrijven tegen de menselijkheid' werd gebruikt om bestraffing van de Jodenvervolging in de jaren dertig in Duitsland zelf mogelijk te maken.

De praktijk van etnische zuiveringen, waaraan alle strijdende partijen in het voormalige Joegoslavië zich schuldig maken, aldus de speciale VN-rapporteur Tadeusz Mazowiecki, is een voorbeeld van misdrijven tegen de menselijkheid waarvoor de schuldigen zouden moeten worden berecht. “Maar wie klaagt wie aan”, vraagt Kalshoven zich af.

De instelling van een internationaal tribunaal heeft doorgaans plaats als de agressor is overwonnen en wanneer overduidelijk kan worden aangetoond dat sprake is geweest van het bedrijven van oorlogsmisdaden. Dat laatste is voor wat betreft de burgeroorlog in Joegoslavië al voldoende duidelijk gemaakt, aldus Kalshoven. “Theoretisch zou je nu moeten wachten op het einde van de burgeroorlog om daarna een internationaal tribunaal in te stellen. Alleen: deze burgeroorlog heeft het karakter aangenomen van een bosbrand in Frankrijk waar de mistral nog een keer overheen komt waardoor die brand niet meer te blussen valt en je dus moet wachten tot hij is uitgewoed. Dat kan lang duren.”

In de praktijk echter is, volgens Kalshoven, elke staat voor zich bevoegd oorlogsmisdrijven te bestraffen en strekt de nationale rechtsmacht zich uit over alle oorlogsmisdrijven “waar ter wereld en door wie ook gepleegd” - het zogenoemde universaliteitsbeginsel. Wanneer de strijd in het voormalige Joegoslavië zou worden aangemerkt als een internationaal gewapend conflict “dan is een buiten het conflict staande partij zoals Nederland zelfs verplicht om verdachten van ernstige inbreuken op de Geneefse verdragen van 1949 op te sporen en te berechten”, aldus Kalshoven.

Maar de toepassing van het universaliteitsbeginsel op oorlogsmisdrijven die in een intern gewapend conflict zijn gepleegd is volgens hem hoogst twijfelachtig omdat geen enkel verdrag voor zo'n geval rechtsmacht toekent aan staten die buiten het conflict staan. Van een actief vervolgingsbeleid terzake is dan ook geen sprake. “Bij mijn weten is geen onderzoek ingesteld naar de vraag of zich onder de Kroatisch-Bosnische strijders die naar Nederland gekomen zijn, wellicht oorlogsmisdadigers bevinden. En dat niet alleen omdat eventuele berechting op problemen zou stuiten gezien het "nationale karakter' van de oorlog maar ook, denk ik, omdat elke vorm van willekeur moet worden vermeden. Je moet geen situatie krijgen waarin de "kleintjes' gepakt worden en de grote oorlogsmisdadigers buiten schot blijven.”