Boek en expositie over de tekeningencollectie van Frits Lugt; Honderd jaar geroezemoes

Het Rijksmuseum toont tekeningen uit de collectie Lugt, die onlangs is beschreven in een monumentaal boek. Frits Lugt was kenner van de Nederlandse kunst van de zestiende eeuw. De meeste kunst was toen bestemd voor de kerk of voor privédevotie. Daarom is het opvallend dat Lugt een voorkeur toonde voor portretten en landschappen.

Uit de eeuw van Bruegel. De verzameling Frits Lugt. Rijksprentenkabinet Amsterdam. Tot 8 november.

Karel G. Boon: The Netherlandish and German Drawings of the XVth and XVIth Centuries of the Frits Lugt Collection, Fondation Custodia, Parijs 1992. Voor Nederland gedistribueerd door uitgeverij Waanders. Tot 1 januari 1993 ƒ 600,-; daarna ƒ 750,-

Het vluchtigste museum dat Nederland ooit heeft gekend, werd honderd jaar geleden opgericht in Amsterdam. Het heette Museum Lugtius en kreeg de toevoeging "geopend als de Directeur thuis is'. Die directeur heette Frits Lugt en was acht jaar oud. Deze vroegwijze knaap liep kort daarna de deur plat in het werkelijke grote-mensenmuseum, het Rijksmuseum en schreef niet geremd door bescheidenheid enkele boeken. Een daarvan heette Het leven van onze voorouders en toen hij vijftien jaar was volgde een eigenhandig geïllustreerd werk over Rembrandt. Toen deed hij ook zijn eerste aankoop: een ets van Rembrandt voor ƒ 2,75. Zijn hele leven zou hij blijven verzamelen en bij zijn dood in 1970 bestond zijn collectie uit 250 Hollandse en Vlaamse schilderijen, 6000 tekeningen, 30.000 prenten, porselein, antiquiteiten, portretminiaturen, en kunstenaarsbrieven. Deze schatten werden ondergebracht in een stichting, de Fondation Custodia, die vanaf 1953 onderdak vond in het huis van Lugt aan de Rue de Lille in Parijs, waar sedert 1957 het Institut Néerlandais is gevestigd. Nadat al eerder de Italiaanse tekeningen uit de collectie Lugt waren gecatalogiseerd, is deze maand de uitvoerige catalogus verschenen van de 271 Nederlandse en 28 Duitse tekeningen uit de zestiende eeuw. Ter gelegenheid hiervan toont het Rijksprentenkabinet een selectie van honderd tekeningen van Lugt.

Frits Lugt (1884-1970) werd geboren in Amsterdam. Aanvankelijk wilde hij schilder worden en zijn belangstelling voor oude kunst uitte zich al zo vroeg dat zijn ouders hem van school haalden en hem naar Engeland stuurden om de taal te leren, waarna hij een baan kreeg bij het veilinghuis Frederik Muller. Lugt kreeg dus geen academische opleiding, maar leerde, van 1901 tot 1915, de kunst kennen uit de praktijk. Hij zou niet de enige connaisseur worden die later beweerde dat een dergelijke praktijk de ware leerschool is. Na zijn loopbaan in de kunsthandel vestigde hij zich in Parijs waar hij veel verzamelingen van Nederlandse tekeningen heeft gecatalogiseerd onder andere die van het Louvre. Hij stelde er catalogi samen, schreef artikelen en publiceerde twee belangrijke praktische handboeken, een over verzamelaarsmerken en een over veilingcatalogi. Zijn voor het eerst in 1915 gepubliceerde werk Wandelingen met Rembrandt in en om Amsterdam verdient een herdruk. Lugt heeft zijn leven lang gereisd, gekeken en verzameld en werd een internationaal erkend specialist op het gebied van de Nederlandse kunst van de zestiende en zeventiende eeuw.

De auteur van de nu verschenen catalogus, K.G. Boon, is oud-directeur van het Rijksprentenkabinet. Hij publiceerde onder andere de catalogus van de zestiende-eeuwse tekeningen van deze instelling en heeft nu een monumentaal boek voltooid, een klassiek, royaal en duurzaam uitgevoerd werk dat in de eerste plaats is bedoeld voor vakgenoten. Deel 1 bevat de tekst, in deel 2 staan de in zwart-wit uitgevoerde reprodukties en in deel 3 vindt men steunafbeeldingen, watermerken, indices, en literatuur. Aan dit boek is zo'n twintig jaar gewerkt en de beschrijvingen hadden dan ook nauwelijks uitputtender kunnen uitvallen. Na een korte biografische schets van de betreffende tekenaar volgen de beschrijvingen van diens tekeningen. Dat betekent traditiegetrouw: een beschrijving van de tekentechniek en het materiaal waar op gewerkt is, van de herkomstgeschiedenis, van de plaatsen waar het werk tentoongesteld is, en een bibliografie. Hierop volgt de eigenlijke inhoudelijke beschrijving: de voorstelling, de argumenten pro en contra toeschrijving en datering. Als laatste komen dan nog de voetnoten. Deze overtreffen hoewel klein gedrukt niet zelden de eigenlijke beschrijving. De catalogus is zo gedetailleerd dat werkelijk geen voetnoot, geen opmerking, geen terloopse suggestie, mondeling, schriftelijk of in gedrukte vorm ooit aan een tekening of een detail daarvan gewijd, vergeten is. De eigenlijke tekening gaat in het beredeneerde commentaar ten onder. Het effect is dat de lezer een vermoeden krijgt van een oneindig internationaal geroezemoes over een periode van meer dan honderd jaar van kunstkenners die met elkaar in debat zijn over de tekenaar, over de datering, over de voorstelling zelf en over ontleningen. Het batig saldo van een dergelijke registratie is dikwijls nihil, want vaak heffen de ooit geuite meningen elkaar eenvoudigweg op. Boon biedt iedere mening de ruimte, wikt en weegt geeft dan zijn eigen oordeel, of moet bekennen dat hij het ook niet weet.

Aan de hand van de catalogus en ook op de tentoonstelling is een aantal fundamentele ontwikkelingen te volgen. In de eerste plaats de invloeden van Italië: het Italiaanse landschap, de klassieke bouwkunst en de schilderkunst van de Renaissance. Het werd allemaal ter plekke bestudeerd, opgezogen en verwerkt door de tekenaars uit de Nederlanden. Maar ook zien we aan het eind van deze periode het afstand nemen van de Italiaanse kunst, een loslaten van de maniëristische subtiliteiten en het experimenteren met studies direct naar de natuur, waar de de grote kracht van de Noordnederlandse school zou gaan liggen. Ook de divergentie is aan te wijzen tussen de Zuidnederlandse- en de Noordnederlandse scholen, die omstreeks 1600 begon in te zetten. Lugt verwierf uit deze periode een een album met tekeningen van bloemen en insekten door Jacob de Gheyn. De Gheyn en Goltzius zijn als Haarlemse vernieuwers sterk vertegenwoordigd en vormen in hun naturalistische manier van tekenen een contrast met de Zuidnederlandse tekenaars.

Landschappen

Het hoeft geen verbazing te wekken dat bijna de helft van de tekeningen een christelijk onderwerp heeft. De meeste kunst was bestemd voor de kerk of voor privédevotie. Daarom is het opvallend dat Lugt een voorkeur toont voor twee seculiere onderwerpen: portretten en in sterkere mate voor landschappen. Beide onderwerpen zijn op de tentoonstelling ruimschoots vertegenwoordigd. Het portret was in het begin van de zestiende eeuw al een volwassen onderwerp. Een kop van keizer Maximiliaan I door Lucas van Leyden uit 1620 en een van Christiaan II van Denemarken door Jan Gossaert uit dezelfde tijd zijn daar indrukwekkende voorbeelden van. Ze staan stevig in de traditie. In de loop van de eeuw veranderen de technieken en democratiseert het onderwerp en zien we dat ook andere typen dan keizers, koningen en prelaten geportretteerd worden. Van Jacob de Gheyn zijn daar enkele mooie voorbeelden van te zien.

Toren van Babel

De ontwikkeling van het landschap verliep heel anders. Wie wilde er nu in het begin van de zestiende eeuw een landschap waarin niets gebeurde, waar geen bijbelse figuren vielen te bekennen, en geen Griekse goden rondliepen? Maar liefst een derde van de Nederlandse zestiende-eeuwse tekeningen in de verzameling Lugt heeft een landschap tot onderwerp: bossen, bergen, rivierlandschappen, dorpsgezichten, deels fantasie, maar deels ook naar het leven getekend. Dat is veel voor deze periode. Enkele vroege landschappen, onder andere van Jan van Scorel zijn nog gebaseerd op fantasie. Ze hebben de toren van Babel of een bijbelse stad tot onderwerp. De klassieke ruïnes in Rome werden naar het leven getekend, maar dan, omstreeks 1520, beginnen enkele tekenaars ook het eigen Nederlandse landschap te bestuderen. Een vroeg voorbeeld is het landschap van de Antwerpenaar Matthys Cock. Een dorp aan de voet van een heuvel, dat zich uitstrekt links en rechts van een oneffen weg. De huizen met hun rieten daken gaan deels schuil achter magere boompjes langs de weg. Die tekening heeft in zijn compositie en onderwerp nu iets vanzelfsprekends, maar het idee om zo'n stil dorpje zonder mensen zo weer te geven moet destijds toch nieuw zijn geweest en de tekening vertoont dan ook een gevoelige onbevangenheid. Een andere, latere schitterende landschapstekening wordt toegeschreven aan Joost de Momper de Jonge. In een besneeuwd landschap zoeken enkele reizigers hun weg. Met weinig middelen heeft de tekenaar hier de gure sfeer opgeroepen van een winterse dag met een snerpende wind. Dergelijke tekeningen, waarschijnlijk buiten naar het leven getekend, waren nog niet bedoeld als volwaardige eindprodukten. Ze dienden als voorbeeld voor een prent of een schilderij. Het thema van het landschap zou verder worden uitgewerkt door Pieter Bruegel en later op een veel naturalistischer wijze door tekenaars in de Noordelijke Nederlanden.

K.G. Boon heeft met deze catalogus niet alleen een monument neergezet voor Frits Lugt, maar via hem ook voor de zestiende-eeuwse Nederlandse tekenkunst. De tentoonstelling in het Rijksprentenkabinet biedt in zijn voetnootloze soberheid de bezoekers alle kans zich te richten op de rijkdom van de tekeningen.

    • Roelof van Gelder