Beste en lieve K.,

In de schaduw van een reusachtige kastanjeboom zit ik op een vaalgroene metalen stoel in de Jardin du Luxembourg. 't Loopt tegen de 30 graden, wolkensnoeren steken af tegen een strakblauwe hemel. Naast me staat nog een stoel, waarop mijn schetsboek, penselen, inkt, camera, broodje kaas en fles Badoit. (Om de penselen mee uit te spoelen.) Ik heb een paar uur driftig zitten werken, al blijft het behelpen in de open lucht. Stof, insecten, vallende bladeren, etc. Het hinderlijkst vind ik nieuwsgierige voorbijgangers. Daar heb ik al iets op gevonden. Als ze me tot op drie meter zijn genaderd, hef ik mijn camera en klik, weg zijn ze. Misschien een idee voor je galerietjes, daar aan de Prinsengracht, de foto's naast de tekeningen?

Alles goed met mijn katten? Ik ben je eeuwig dankbaar, dat je ze onder je hoede hebt willen nemen. Sophie mag absoluut niet op je bed slapen, denk daar alsjeblieft aan, ik heb het haar met heel veel moeite afgeleerd.

K., nog even je aandacht voor het volgende. Mijn vrouw en ik zijn zonder geruzie totaal uit elkaar gegroeid. Ze heeft zich ontfermd over een droevige troubadour die helemaal uit St. Petersburg is komen vluchten. Ik neem haar niets kwalijk, ze kan niet tegen alleen zijn. Ze wonen samen op een piepklein beeldhouwersatelier in de Rue Daguerre. De Rus is erg vriendelijk, heet Boris, is zeer dik, spreekt twee woorden Engels en drinkt rode wijn van crépuscule tot middernacht. En hij kan maar niet begrijpen, dat ik niet kan schaken. Ik kom toch uit hetzelfde land als Timman, Ree en Tabe Bas? Maar van een potje dammen is hij ook niet vies. Dan zegt hij: “You Wiersma, me Gantwarg?”