Bart Volkerijk dichter dan ooit in loopbaan bij Nederlandse honkbaltitel; De rechter werparm is nog steeds van goud

DEN HAAG, 25 SEPT. Een werper gaat lang mee, zegt Bart Volkerijk. De Haagse honkballer is daar zelf het beste bewijs van. Volkerijk, komende dinsdag 36 jaar, loodste door twee uitstekende prestaties tegen favoriet Neptunus zijn club ADO de finale van de play-offs in en staat vanavond in het Pim Mulierstadion in Haarlem in de eerste wedstrijd tegen Kinheim op de heuvel. “Hoe lang ik nog mee kan? Ik denk best nog heel lang.”

Zijn werparm, de rechter, is nog steeds van goud. “Tegenstanders zeggen dat ik nog steeds mijn snelheid van vroeger heb.” Hij haalt met zijn snelste ballen nu nog een gemiddelde van naar schatting 130 à 140 kilometer per uur. Zijn geheim? “Een werper moet gooien, gooien en nog eens gooien.” Veteraan Volkerijk vindt dat er in Nederland uit angst voor een kapotte arm nogal eens te voorzichtig met werpers wordt omgesprongen. “Als je elke dag kan gooien moet je dat ook doen.”

Met gooien bedoelt Volkerijk niet het gooien van wedstrijden. “Want je moet je natuurlijk niet laten misbruiken. Als je een volledige wedstrijd hebt gegooid moet je je de volgende dag zeker niet de heuvel op. Ook niet voor even. Dat is roofbouw. Dat kan een arm niet hebben. Eens gaat je dat opbreken.” Maar, stelt Volkerijk, het kan geen kwaad om de dag na de wedstrijd even los te gooien. Het is zelfs aan te bevelen. Het gaat dan om het gevoel, de beweging. “Het hoeft niet hard te zijn, gewoon even lekker gooien. Desnoods doe je het zonder bal, droog.”

Zelf herstelt Bart Volkerijk doorgaans snel van een wedstrijd. Toch zitten er ook bij hem nooit minder dan drie dagen tussen twee lange optredens. “Maar het is onzin om te stellen dat een werper maar één wedstrijd per week kan gooien. Ik gooide vroeger gerust op zaterdag, woensdag en zondag weer.” Hij kende seizoenen van liefst 160 innings. Volgens de Hagenaar heeft dat vooral met gewenning te maken. Hij gooide, begeleid door zijn vader - ex-bondscoach Leen Volkerijk - van jongsaf aan veel. “De Aziaten bewezen dat het kon. Hun werpers zag je ook veel gooien.”

Bart Volkerijk - 71 interlands - noemt zichzelf als werper “degelijk, niet supergoed”. Maar hij is zeker een meester in het constante gooien. Hij kan dat lang volhouden. “Ik heb altijd mijn wedstrijdjes uitgegooid, ja.” Volkerijk beheerst de verschillende worpen. Hij kan een snelle rechte bal gooien en zijn slider, een bal die voor de slagman ineens wegdraait, is zelfs berucht bij de vijandelijke hitters. Toch vindt Volkerijk de variatie in zijn gooien zijn sterkste wapen.

Verder zijn een optimale concentratie en een goede "bewaking' van de honken noodzakelijke eigenschappen voor een topwerper om het psychologische spel met de slagmensen aan te kunnen gaan. “Daarmee help je jezelf, de extra nulletjes zijn belangrijk.” Volkerijk herinnert zich nog een duel in Taiwan met het Nederlands team tegen Korea. Hij kon wegens een elleboogblessure niet voluit gooien, maar kwam vooral door slim te spelen toch tot één van zijn betere wedstrijden.

Die onwillige elleboog leek twee jaar geleden het einde van zijn carrière te betekenen. Een Delftse orthopeed adviseerde hem te stoppen omdat er sprake zou zijn van ernstige slijtage. Volkerijk legde zich echter niet bij die diagnose neer. “Zó wilde ik niet eindigen en ik vermoedde dat die arm niet zo rot was als werd beweerd.” De bekende Rotterdamse chirurg Heijboer verrichtte een kijkoperatie bij hem en constateerde dat het er van binnen in de elleboog helemaal niet zo slecht uitzag, hoogstens een lichte slijtage. Geen reden om te stoppen en na een periode van rust kon Volkerijk weer naar hartelust ballen gooien. En tot op de dag van vandaag gaat dat goed.

Hij werkte een speciaal programma af om weer op krachten te komen. Het gaat om een van oorsprong Amerikaanse uitvinding die door Jan Hermans, fysiotherapeut van het Nederlands team en concurrent Neptunus, is aangepast. Werpers moeten een serie bewegingsoefeningen doen met een met zand gevuld blik in hun handen. Dat zorgt voor een prikkeling van het bindweefsel in de werparm die daardoor sterker wordt. Sindsdien zweert Volkerijk bij deze methode. Minstens zo'n vijf keer in de week staat hij met de magische zandblikken te stoeien. Steeds ongeveer twintig minuten. Verder vertroetelt hij z'n gouden arm niet. Hij behandelt 'm na een middag op de heuvel een minuut of tien met ijs en dat is het dan wel. “Welnee, verder geen poespas.”

En zo is de "oude' schoolmeester Volkerijk plotseling dichter dan ooit in zijn lange loopbaan bij de nationale titel. “We zijn weleens tweede of derde geëindigd, geloof ik.” Hij heeft nooit voor een andere vereniging gespeeld dan ADO uit Den Haag. Hij is een echte clubman en was door de jaren heen meer dan alleen een gewaardeerde kracht van het eerste negental. Hij was onder andere coach van vele jeugdteams en lid van de kantinecommissie. Nu maakt Volkerijk weer deel uit van een commissie van advies die moet helpen de binnen de vereniging gerezen problemen met het ADO-bestuur op te lossen en de werper overhandigde in die hoedanigheid vlak de beslissende wedstrijd tegen Neptunus, afgelopen zaterdag, het bestuur een rapport. “Er wordt ten onrechte over het rapport-Volkerijk gesproken. Ik ben het niet eens voorzitter van die commissie.”

“Voor mij is iedereen en alles hier”, zegt hij over ADO. Zijn vrouw en zijn twee kinderen spelen er ook. Mede daarom, stelt hij, houdt Volkerijk het zo lang uit op het hoogste niveau. “De meeste spelers stoppen omdat de motivatie ontbreekt. Honkbal is een tijdrovende sport. Je bent hele weekeinden weg. Dat gaat ten koste van thuis. Bij mij niet. De hele familie gaat altijd mee.” Toch heeft Volkerijk, bekent hij, twee keer serieus overwogen te vertrekken bij ADO, in 1978, toen de ploeg degradeerde en aan het einde van het afgelopen seizoen zelfs ook nog eens. Hij baalde flink van de sfeer in de spelersgroep na een mislukte competitie. Volkerijk voerde zelfs al een gesprek met Sparta maar besloot nadat hij zich over ADO's toekomstplannen, met Robbert Niggebrugge als de nieuwe coach, had laten informeren op het oude nest te blijven. Achteraf is hij daar natuurlijk blij om. “Een titel halen met mijn eigen cluppie lijkt me gigantisch. Toch kan ik me er nu eerlijk gezegd nog weinig bij voorstellen.”

Hij looft dan het hele team. “Ik hoor overal dat dit mijn beste seizoen zou zijn. Dat denk ik dus niet. Ik heb deze competitie eigenlijk maar weinig wedstrijden gewonnen. Een stuk of vijf maar. Dat zijn er vaak meer geweest. Weleens dertien in een seizoen. Alleen viel dat toen niet zo op, omdat we als team niet zo'n aansprekende resultaten boekten. Nu ligt dat dus anders.”