Anti-kartelbeleid stuit op fors verzet

ROTTERDAM, 25 SEPT. Ondernemers, advocaten en kartel-deskundigen hebben grote bezwaren tegen de manier waarop Economische Zaken een anti-kartelbeleid van de grond tilt.

Zij menen dat het ministerie zijn maatregelen onvoldoende afstemt op het beleid van de Europese Commissie, waardoor in hun ogen de komende jaren een onaanvaardbare rechtsonzekerheid ontstaat voor ondernemingen die deelnemen aan een kartel.

Dit bleek gisteren in Rotterdam op de conferentie "Het einde van het kartelparadijs', waar enige honderden ondernemers, economen en beleidsmakers bijeen kwamen.

Bij kartelbestrijding maakt Nederland gebruik van een misbruikstelsel. Volgens de Wet Economische Mededinging (WEM) zijn kartels toegestaan, tenzij ze in strijd zijn met het algemeen belang. De Europese Commisie hanteert evenwel een verbodsstelsel. Naar Europees recht, dat prevaleert boven nationaal recht, kunnen kartels worden verboden zodra ze de handel tussen EG-landen beïnvloeden. De Commissie treedt soms scherp op tegen dergelijke kartels. Zo legde ze de Nederlandse aannemers in de bouw dit voorjaar een boete van zo'n vijftig miljoen gulden op, hoewel hun kartel was gesanctioneerd door Economische Zaken.

Mede in reactie daarop heeft staatssecretaris mr. Y. van Rooy gekozen voor het zo snel mogelijk verbieden van de belangrijkste Nederlandse kartelsoorten. Ze handhaaft echter de Wet Economische Mededinging - en dus het misbruikstelsel. Van Rooy benadrukte gisteren dat “nuttige, positieve vormen van samenwerking” van een verbod uitgezonderd zullen blijven. “We kiezen een middenweg tussen concurrentie en samenwerking”, aldus de staatssecretaris.

De directeur economische zaken van het VNO, prof.dr. P. Verhaegen, noemde haar opstelling “niet bemoedigend”. Volgens hem ontstaat rechtsonzekerheid omdat in specifieke gevallen onduidelijk zou zijn of een door het ministerie gesanctioneerd kartel door de Commissie ook wordt geaccepteerd. Het VNO ziet dan nog liever de introductie van een verbodsstelsel, aldus Verhaegen.

Secretaris-generaal prof.mr. L. Geelhoed van Economische Zaken, vermoedde “strategie” achter dat voorstel. Volgens hem zou pas “echte” onzekerheid worden geschapen “als het ministerie niets doet”. “Een stelsel dat kartels verbiedt is beter - I couldn't agree more”, zei Geelhoed. “Maar dat vergt de introductie van een nieuwe wet, en de overlegeconomie neemt daar tien jaar voor. Dan verandert er niets, en dat zou pas tot rechtsonzekerheid leiden. We moeten nú handelen.”

Ook diverse advocaten, werkzaam op het terrein van de mededinging, namen het ministerie op de hak. Zo stelde prof.mr. M. van Empel van het kantoor Stibbe & Simont dat het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen, zoals Van Rooy wil, “zich niet verdraagt met het systeem van Brussel”. Hij vermoedt dat het beleid van Den Haag leidt tot “willekeur”. In zijn ogen zou het beter zijn als Nederland de pretentie laat varen nog langer een eigen kartelbeleid te kunnen voeren.