Annie M.G. Schmidt over haar jeugd; Een kneepje van Nicolaas Beets

Annie M.G. Schmidt: Wat ik nog weet. Uitg. Querido, 144 blz. Prijs ƒ 24,90.

De vader van Annie M.G. Schmidt kwam elke dag met modderige laarzen uit de tuin om zijn vrouw aan de achterdeur een bos andijvie of een maaltje sperziebonen te overhandigen. Maar soms plukte hij bloemen in plaats van groente. Dat was, merkte de dochter in haar prille puberteit, een wervingsritueel. Soms aanvaardde moeder die bloemen minzaam. Maar als dat een tijdje zo vredig door was gegaan, kon ze op een dag opeens zeggen: “Ik heb liever andijvie, Johan.” Hij begreep dat en ging dan gelaten andijvie halen.

“Ik heb liever andijvie, Johan” - in dat zinnetje zit de hele Nederlandse volksaard, die in diepste wezen onhartstochtelijk is, en daarom is het zo'n typisch Annie Schmidt-zinnetje. Vijf nuchtere woorden die een wereld oproepen van een diep gewortelde gewoonheid, en die humoristisch worden door het potsierlijk dempende effect van die onerotische andijvie op alles wat met romantiek te maken heeft. “Ik heb geen zin, Johan” zou lang zo leuk niet zijn geweest.

Het verhaal staat in de bundel Wat ik nog weet, verhalen uit de jeugd van Annie Schmidt waarvan een deel eerder als column verscheen in Het Parool. Ze zijn gesitueerd in de eerste decennia van deze eeuw en dat is op zichzelf al bijzonder, want hoe vaak leest men nog uit de eerste hand over een tijd zonder auto's of elektriciteit, met benen bikkels als enige kinderspeelgoed en alleen voor de notabelen van het dorp een krant? Wie kan nog schrijven dat haar moeder een kneepje in de wang kreeg van Nicolaas Beets en dat er bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog militairen op paarden langs het huis draafden? Het huis was de pastorie op Zuid-Beveland; de vader was een dominee die niet kon toegeven dat hij eigenlijk niet meer gelovig was, en de moeder een domineesmevrouw met negentiende-eeuwse opvattingen over fatsoen, maar af en toe verrassend geëmancipeerd en met een goed gevoel voor absurde situaties. Zoals de keer dat die moeder met haar zuster naar het kerkhof ging: “Toen ze (-) het graf van hun moeder bezochten, stonden ze te huilen bij het verkeerde graf. Toen ze dat ontdekten konden ze niet meer huilen op het goede graf, omdat ze te hard moesten lachen.”

Annie Schmidt schrijft met liefde, maar niet met obligate nostalgie over haar jeugd en haar ouders. Haar zinnen zijn, als altijd, licht van toon maar verre van luchtig. Het wonder van haar stijl ligt, vind ik, in de totale afwezigheid van ophef of misbaar - in de eenvoud zonder oppervlakkigheid. Hoeveel woorden zou een ander nodig hebben om iets duidelijk te maken over de positie van de huisnaaister Mietje? Méér dan Annie Schmidt, ongetwijfeld, die in één zin al het noodzakelijke samenvat: “Ze zat in een zijkamertje aan de naaimachine van mijn moeder geketend en maakte van lelijke oude kleren lelijke nieuwe kleren.” En ik zou geen kernachtiger omschrijving van christelijke hypocrisie weten dan deze, een paar pagina's eerder: “In een Zeeuws dorp is het café "de zonde' en men gaat er niet heen; men kijkt slechts aandachtig, wie er wèl heen gaat.”

Er staat in Wat ik nog weet nauwelijks iets over haar latere schrijfcarrière, maar het mooie is dat ze tussen de regels door heel veel over haar bronnen prijsgeeft. Vooral in de moeder, die eigenlijk met een zekere Maaskant had willen trouwen en vijftig jaar lang heeft berust in een verstandshuwelijk, is veel te herkennen uit het oeuvre van haar dochter. Soms was de oude mevrouw Schmidt opstandig, dan weer behielp ze zich toch maar met de werkelijkheid - dezelfde mengeling van rebellie en pragmatisme die het werk van Annie Schmidt kenmerkt. Op haar dertiende schreef Anna Maria Geertruida een liedje waarvan de eerste regel een regelmatige verzuchting van haar moeder was: “Had ik Maaskant maar genomen/ dan was alles goedgekomen/ maar ik ben met Schmidt getrouwd/ daarvandaan ging alles fout.” Daar moest haar moeder erg om lachen.