Amsterdam is een Caraibische stad; De opinies van Gabriel Garcia Marquez in vijfenvijftig columns

Gabriel Garcá Márquez: De zee van mijn verloren verhalen. Vert. Francine Mendelaar en Mieke Westra. Uitg. Meulenhoff, 223 blz. Prijs ƒ 34,50.

- : Doce cuentos peregrinos. Uitg. Mondadori, 245 blz. Prijs ƒ 34,90.

Tussen 1980 en 1984 schreef Gabriel Garcá Márquez een groot aantal columns voor diverse kranten en tijdschriften, waaronder het Spaanse dagblad El Pas. Hij deed dit om voeling met de typemachine te houden - het is bekend hoeveel tijd er tussen het verschijnen van zijn romans zit - maar ook omdat hij zich als ex-verslaggever "altijd vooral journalist' is blijven voelen. Er was nog een derde, voor de hand liggende reden voor deze vrijwillige wekelijkse schrijfoefening: Márquez heeft veel te vertellen. De Notas de Prensa (Persnotities), de titel waaronder de columns vorig jaar in Spanje werden gebundeld, geven blijk van gretigheid om gedachten te formuleren en de toon is niet zelden polemisch. Márquez, de notoire anti-theoreticus, spuit zowaar lustig theorieën, die - dat wel - mooi zijn verpakt als verhalen en anekdotes, met een enkele ferme uitspraak als etiket.

Deze opiniërende Márquez is nu ook voor Nederlanders binnen bereik. Hier ligt vanaf 30 september een keuze uit de columns in de winkel geselecteerd op het verhalend gehalte en getiteld De zee van mijn verloren verhalen. De gekozen columns verschillen van verhalen doordat ze thematisch zijn, vaak uitmonden in een stelling of aforisme, en bij voorkeur een actueel feit als uitgangspunt hebben. Soms worden ze besloten met een retorische vraag, die zoveel betekent als: volgende week verder, wat in deze selectie niet wordt bewaarheid, en dat is, naast de weinig zeggende Nederlandse titel, de enige zwakte van de uitgave. Want deze Márquez is schitterend, met een hem typerende sfeer van heimwee en gein tegelijk en altijd glasheldere, fraaie zinnen.

Wie zijn werk kent, komt veel vertrouwds in de bundel tegen, van de aanbeden gele rozen, via misverstanden over zijn politieke smaak en flitsen uit de filmwereld, die hij als scenarioschrijver en veelverfilmd auteur goed kent, tot personen en personages die onverbrekelijk met zijn naam zijn verbonden. De eerste column is een hommage aan Borges en de laatste één aan een diepbetreurde Cortázar, zodat we van begin tot eind in Latijns Amerika en in de boeken zitten.

Schrijftips

Het veelvuldigst zijn de columns over het ambacht van het schrijven, compleet met tips - stop pas als je weet hoe je morgen verdergaat -, en over de kermis rondom het schrijven. In 1982 kreeg Márquez immers de Nobelprijs waardoor hij onherroepelijk veranderde in iets dat hem verlegen maakt: een vip. Maar het favoriete stokpaard, dat hij tot vier maal toe berijdt, blijft zijn bekende stelling dat ook het meest wonderbaarlijke dat hij heeft geschreven op niets dan feiten berust. Hij benadrukt zijn hekel aan "fantasie', accepteert de "verbeelding' hooguit als herschikker van feiten en typeert zichzelf als "een overtuigd materialist'.

In "Een waanzinnige zondag' haalt hij er een Catalaanse uitgever bij die samen met hem zijn vroegere ouderlijk huis bezoekt en daar in korte tijd zoveel wonderlijke, heftige, disproportionele voorvallen en personen aan zijn oog voorbij ziet trekken, dat de man zwicht en toegeeft dat het waar is: Márquez' fantastisch aandoende fictie stoelt louter op werkelijkheid. Er is niets overdreven. Dat mensen met staarten als in Honderd jaar eenzaamheid echt bestaan, toont Márquez nog eens aan in een aparte column.

Eén ding staat vast: Márquez heeft een gevoeliger oog voor het bizarre en bijzondere van de werkelijkheid dan anderen. De manier waarop hij Amsterdam beleeft in "De warme nacht van Amsterdam' maakt van de Nederlandse hoofdstad een Márqueziaanse locatie, magischer dan ze ooit in de jaren zestig was. Elders vergeleek hij de sfeer in ons land al met de Caraïbische op Curaçao. Toch is er geen speld tussen te krijgen: al de schijnbaar ongewone dingen die we lezen, zijn gezien en meegemaakt zoals ze zijn opgeschreven.

Veel mogelijke vragen over Marquez' werk of voorkeuren worden gul in diverse columns beantwoord. Na lezing van de bundel weten we bij voorbeeld dat de kolonel uit De kolonel krijgt nooit post naamloos is, omdat geen enkele naam hem stond. Ook weten we waarom Faulkner voor Márquez de ziel van het schrijven vertegenwoordigt en Hemingway, wegens de zichtbare "schroefjes als bij een oude treinwagon', de ambachtsman. We krijgen terloops uitgelegd waarom het erg dom is om vertalers ("geniale medeplichtigen') op fouten te beoordelen.

De ernstigste van de 55 columns is die waarin de schrijver de rol aanvalt die het noodlot, vaak al in de eerste zin van zijn romans aanwezig, door critici bij hem krijgt toebedeeld. Hij noemt het opvoeren van het noodlot een schrijftechnische kwestie en zegt vervolgens iets dat misschien een boodschap is. Hij haalt er ditmaal een interviewster bij om zijn gelijk te verdubbelen: “Dit” - het gaat over de roman Kroniek van een aangekondigde dood - “is niet het drama van het noodlot, maar van de verantwoordelijkheid. Sterker nog: het drama van de collectieve verantwoordelijkheid. Ik geloof zelfs dat de roman uiteindelijk de mythe van het noodlot ondergraaft omdat zij de elementaire onderdelen ervan tracht te ontmantelen en aantoont dat wijzelf als enigen ons eigen lot bepalen.” Kroniek van een aangekondigde dood gaat over een dorpsmoord die door niemand wordt gewild maar ook door niemand wordt voorkomen.

Deze opvatting van het noodlot sluit perfect aan bij het apocalyptische eind van Honderd jaar eenzaamheid, dat Márquez in het boek zelf met zoveel woorden de mensen aanrekent en niet zoiets ongrijpbaars als het lot. Ook de rol van het lot bij de tragedies van Sophocles wil hij op die manier interpreteren.

Goede reis

In Madrid verscheen zojuist een nieuwe bundel verhalen van Márquez, getiteld Doce cuentos peregrinos (Twaalf verhalen op zwerftocht). Wie de columns net heeft gelezen, ziet dat menige scène en karakteristiek daaruit in deze verhalen een definitieve plaats heeft gekregen. Márquez citeerde zichzelf altijd al graag. Hij vertelt in een kort voorwoord de geschiedenis van de verhalen die inderdaad lang hebben gezworven van bureau naar prullebak en daarna via de herinnering weer naar het bureau, en, voor zover ze niet opnieuw naar de prullebak verdwenen, nu hier zijn neergestreken. Er is steeds sprake van reizen, ballingschap of ontheemding, en vaak zit er een bijzondere missie aan vast, zelden zonder horrorelementen.

Márquez wil dat ze met z'n twaalven onafscheidelijk in het geheugen van de lezers achterblijven. Dat is een vreemd verlangen. Dat de meeste verhalen in ons geheugen zullen achterblijven, staat vast. De paar die ik eerder in buitenlandse bladen heb gelezen, werden bij herlezing feestelijk herkend. Maar het zou jammer zijn als de twaalf vooral als geheel werden herinnerd, om de toon of sfeer; die zit uiteindelijk in al Márquez' boeken. De verhalen zijn te sterk om zich te laten reduceren tot elementen van een sfeer. Het mooiste, "Buen viaje, señor presidente' (Goede reis, meneer de president), roept een hele wereld op en heeft de adem van een novelle, al heeft het de lengte niet.

Uit dit verhaal blijkt opnieuw Márquez' uitzonderlijk vermogen om oude mensen, bij hem door de naderende dood per definitie eenzaam en waardig, te schetsen. Wie De kolonel krijgt nooit post of Liefde in tijden van cholera heeft gelezen, weet wat ik bedoel.

Een ander onvergetelijk verhaal is "La Santa' (De heilige), over een man die probeert zijn dochter heilig verklaard te krijgen. Maar omdat in februari 1993 de Nederlandse vertaling van de bundel uitkomt, kan uitgebreide bespreking beter later volgen.

Magistraal bij Márquez, zowel in de columns als in de verhalen, zijn de ingelaste korte dialogen en monologen, steeds met het effect van een klap op de vuurpijl. Vooral de vrouwen, altijd droogkomisch want nuchterder bij Márquez, zijn sterren in het geven van replieken en typeringen. Voorbeelden geven heeft geen zin; dat zou neerkomen op het vertellen van een mop zonder het juiste verband, en dat verband is juist zo subtiel aangebracht.

Márquez is nu een beroemd schrijver maar eens was hij dat niet, en die tijd gedenkt hij met zelfrespect. Hij leent een oordeel van Borges dat hij alle ongebonden lees- en schrijfgekken, zoals hij er zelf één wil blijven, als afschrikwekkend voorbeeld voorhoudt. “Schrijvers”, zeggen Borges en Márquez, “denken tegenwoordig alleen aan mislukking of succes.” Het is duidelijk dat Márquez zelf te eigenwijs was om daaraan te denken. Aan het erbij halen van anderen, de Catalaanse uitgever, de interviewster en in dit geval Borges, die zijn mening met hun onbetwistbare verstandigheid moeten staven, merk je dat Márquez nog altijd een beetje huivert voor theoretiseren, als de dood als hij is voor dogma's en blabla.