Alles leidt naar Claude Monet; De impressionisten en hun voorlopers in museum Boymans-van Beuningen

Voor de expositie "Impressionisme: een schone kijk' maakte geen rivier of korenveld een reis naar Rotterdam: museum Boymans-van Beuningen ging uit van de eigen collectie en liet negen schilderijen restaureren. “Het is of aan honderden tinten en halftinten na jaren gevangenschap weer de vrijheid wordt gegund; een kneveling van kleur, ruimte en licht is eindelijk ongedaan gemaakt.”

Tentoonstelling: "Impressionisme: een schone kijk'. Museum Boymans-van Beuningen, Mathenesserlaan 18-20, Rotterdam. T/m 29 nov. Di. t/m za. 10-17u.; zo. 11-17 u. Prijs catalogus ƒ 69,90 (paperback, alleen in het museum), 89,90 (geb.).

Zeven jaar geleden was in het Grand Palais te Parijs Het impressionisme en het Franse landschap te zien. Het was een groot overzicht met veel doeken die in Europa zelden worden geëxposeerd, zoals acht uit Noord-Amerika afkomstige hooischelven van Monet; de complete serie van vijftien werd in 1891 voor het eerst bij de Parijse galerie Durand-Ruel getoond.

Toen ik erheen ging vroeg ik mij af of het impressionisme nog los kon komen van het affiche, de kalender en de koektrommel. Was het inmiddels aan zijn eigen populariteit bezweken of bood het na ruim een eeuw toch nog onverwachte gezichtspunten?

Drie schilders staken met kop en schouders boven hun geestverwanten uit: Claude Monet, Georges Seurat en Paul Cézanne. In het begin was de vluchtige indruk van het in kleuren gedrenkte landschap ook hun uitgangspunt. Maar na een tijd onttrokken zij zich aan het algemene karakter van het impressionisme. Pas toen kwam hun grootste tijd.

Die tientallen landschappen leverden een schitterende tentoonstelling op. Het verhaal van het impressionisme mag in de handboeken dan kunsthistorie zijn, in de musea kan het steeds opnieuw ontstaan. De spanning van het avontuur is afhankelijk van de vindingrijkheid van de conservatoren.

Welk thema kiezen zij en welke schilderijen weten ze binnen te halen om dat gestalte te geven?

Het Rotterdamse Museum Boymans-van Beuningen heeft niet eens zoveel klassiek impressionistische schilderijen. Het aantal is niet nauwkeurig vast te stellen; tussen de tien en vijftien, sommige kunnen ook tot vroegere of latere stromingen worden gerekend.

Toch werd besloten om voor de expositie Impressionisme: een schone kijk het eigen bezit ten toon te stellen. Geen rivier of korenveld maakte een reis naar Rotterdam. Het drama sluipt in de tentoonstelling omdat Boymans het impressionisme ruim kan opvatten. Het heeft ook een grote verzameling Franse kunstwerken die aan de stroming voorafgaan en die erop volgen.

Dat brengt het totaal van de expositie op meer dan zestig schilderijen, twaalf beelden en honderdvijftig aquarellen, tekeningen en prenten.

Zelfs voor de bezoeker die de collectie Boymans-van Beuningen kent, kan het spel van tastend betekenis geven, de voornaamste verrukking van elk museumbezoek, volledig opnieuw beginnen: de opstelling maakt het verhaal anders. Bovendien zijn liefst negen schilderijen aan hun tweede leven begonnen.

Vernisafname

Onder leiding van mevrouw A. Boersma, een telg uit een geslacht van restaurateurs, zijn in het afgelopen jaar negen doeken van Monet, Pissarro, Signac en Sisley opgeknapt. De restauratie wordt in de catalogus zo uitvoerig beschreven en verbeeld, dat het doel dat zij nastreefde haast onder je ogen wordt bereikt: het verwijderen van een of meer vergeelde vernislagen, die jaren na het ontstaan van het schilderij door anderen waren aangebracht. Zij probeerde het matte oppervlak, dat de impressionisten verkozen, terug te krijgen. Dat weerkaatst het licht veel levendiger dan glad vernis.

Het meest veelzeggend zijn de tijdens de vernisafname gemaakte foto's. Het linker deel van het doek is al schoongemaakt, het rechter is nog onder een laag vernis, stof en vuil bedolven.

Neem De hut van de visser, Varengeville, een voorstelling die Monet in 1882 schilderde. Wat Annetje Boersma uit het vervuilde beeld opdiepte tart elke beschrijving. Het is of aan honderden tinten en halftinten na jaren gevangenschap weer de vrijheid wordt gegund; een kneveling van kleur, ruimte en licht op volkomen verkeerde gronden is eindelijk ongedaan gemaakt.

Zij schrijft helder over de behandeling van Monets werk, het is een mengeling van wetenschap en erotiek. Je ziet haar aandacht, haar handen die Monet voorzichtig naderen, zich terugtrekken en weer naderen:

“De vernis bestond uit een natuurlijk hars. Proefnemingen werden gedaan om een geschikt oplosmiddel voor het verwijderen van de vernislaag te vinden.

De donkergroene en helderblauwe verf was goed bestand tegen de aanraking met het geteste oplosmiddel. De vernisophopingen in de dieptes werden met een kwastje verwijderd, doch een geringe hoeveelheid bleef achter, daar een te lange blootstelling van de verfhuid aan het oplosmiddel onverantwoord zou zijn.

Na verwijdering van de vernis kreeg het verf-oppervlak een half-mat karakter en bleef het ongevernist. De kleurschakeringen tekenen zich weer duidelijk af; op één vierkante centimeter kan men zelfs acht heldere kleuren naast elkaar herkennen.

In de luchtpartijen zijn enkele retouches met aquarelverf op de meest storende craquelés aangebracht.''

Ook die vierkante centimeter staat in de catalogus afgebeeld, in kleur en zestien keer vergroot. Wie voor het eerst zag dat decennia vuil van zo'n klein oppervlak waren gewist moet hevig ontroerd hebben gekeken.

De bezoeker volgt de lijn die loopt van de donkere Barbizon-schilders als Rousseau en Daubigny naar de opgeklaarde luchten van de impressionisten zelf en naar later komende eenlingen als Signac, Bonnard en Vuillard. De Franse schilders uit de negentiende eeuw zijn bezetenen die hun nabije omgeving probeerden vast te leggen zoals die naar hun idee werkelijk was, in elk geval zonder al te veel symboliek.

Rug

De tegenstellingen zijn groot. Sombere bergen worden opgevolgd door de ijlste bruggen, straten in het felste zonlicht hebben geen schaduwen en op een smalle donkere prent zie je twee vrouwen in een galerie of museum, een rug neemt het grootste deel van de voorstelling in beslag, alsof die veel belangrijker is dan wat aan de muur wordt getoond.

Ook op deze expositie is 15 april 1874 de kerndatum. Toen ging in de voormalige studio van de fotograaf Nadar een tentoonstelling open van schilderijen die voor het grootste deel in de open lucht waren gemaakt en die door Monet, Pissarro, Renoir en Degas was georganiseerd. Aan een kritiek van Louis Leroy zouden zij hun geuzennaam overhouden. Naar aanleiding van Impressie, zonsopgang, een doek van Claude Monet, noemde hij de nieuwkomers impressionisten.

Om dat tijdstip is al het werk gegroepeerd. Verleid door de schone kijk, het uitgangspunt, speurt de bezoeker naar het licht en de kleur op alle voorstellingen.

Aardbeien in een aardewerk schoteltje uit 1872 van Henri Fantin-Latour. Aan elk van de twaalf vruchten schenkt de schilder een ander licht, zelfs aan de aardbei die het meest naar het donker is toegekeerd. Hij verbeeldt hoe iedere vrucht de lichtval door zijn ligging benvloedt.

De Zeeëgels van Adolphe Monticelli, een doek uit 1858, zijn donker, op zwart af. Eén zeeëgel is opengesneden, de kleur schiet naar buiten. En om de half leeggestorte vissersmand zindert een gouden licht, alsof juist dit geringe tafereel de hartstocht van de schilder heeft opgewekt.

Charles Daubigny stierf vier jaar na de eerste impressionistische tentoonstelling, eenenzestig jaar oud. Maar in zijn Zeegezicht bij Villerville uit 1858 schemert al iets van wat zijn jongere landgenoten voor ogen stond.

Er zijn geen fraai uitgewerkte boten of golven meer te zien, slechts enkele vage scheepjes aan de horizon en ook de zee en de lucht worden niet nagebootst. Die grote vlakken zijn alleen nog een aanleiding om het licht te vangen, nu eens gedempt, dan weer met felle strepen. Hoe het licht op tientallen manieren wordt weerkaatst, dat zie je, niet een brave afbakening van zilver, rose of geel, alsof die niets met elkaar te maken hebben.

Théodore Rousseau, een van de voormannen van de donkere Barbizon-stijl, is het verst verwijderd van die baanbrekende tentoonstelling in 1874 bij Nadar. Hij schildert een duister arcadië, dat niet vooruitwijst maar nog steeds een band onderhoudt met de traditie. Het landschap is niet ongrijpbaar, maar ligt keurig voor de schilder klaar. Hij hoeft het alleen nog maar in te delen, ondergeschikt te maken aan zijn stroeve talent.

Braaf

Het zijn deze hinkstapsprongen door het verleden die "de schone kijk' van Boymans zo spannend maken. Veel van de mooiste doeken horen niet tot het impressionisme, maar wekken wel de indruk dat ze het pad hebben geëffend.

Fantin-Latour, Monticelli en Daubigny zijn betere schilders dan bij voorbeeld Pissarro en Sisley, die met het impressionisme worden vereenzelvigd.

Voorstellingen als De heuvels van Auvers (1882; Pissarro) en Een boomgaard in de lente te By (1881; Sisley) blijven wat al te braaf, hoe mooi ze ook zijn gerestaureerd. De twee schilders hebben de grote vernieuwing mede mogelijk gemaakt, maar konden de werveling van indrukken niet dienstbaar maken aan een groter avontuur.

Ze zijn ook de minderen van post-impressionisten als Pierre Bonnard en Edouard Vuillard, van wie in Boymans-van Beuningen tekeningen en prenten zijn te zien. Deze schilders zijn door collega's en critici lange tijd niet voor vol aangezien. Hun onderwerpen zouden burgerlijk zijn, te veel kamers en huiselijk geluk.

De waardering voor hun werk heeft een verandering ondergaan. Twee van de belangrijkste verworvenheden van het impressionisme hebben zij weergaloos uitgewerkt.

In het laatste decennium van de negentiende eeuw wist Vuillard de lichtval in de kamer tot zo'n grote hoogte op te stuwen dat mensen, meubels en voorwerpen door vloeiend licht met elkaar verbonden lijken te zijn.

Bonnard nam het ongebruikelijke standpunt in beheer. Hij bekeek de onooglijkste hoek van boven, van beneden of van opzij, altijd zag hij de plek waar een ander met zijn rug naartoe staat. Edouard Manet had die manier van kijken, benvloed door de fotografie, al voor er van het impressionisme sprake was tot zijn werk toegelaten. Bonnard zou die blik naar het sublieme leiden.

Bekijk de beelden van Degas of Rodin, de aquarellen van Cézanne en de aparte zaal met tekeningen, van Seurat tot Corot, alle zullen ze, ten slotte, leiden naar de vier schilderijen van Claude Monet, die geheel schoongemaakt aan de ere-muur hangen. Alle andere werken, of ze nu van Daubigny, Signac of Fantin-Latour zijn, verpulveren, vergeleken met dit werk, tot goed bedoelde pogingen. De handen van Annetje Boersma moeten wel eens hebben getrild als ze weer heel dicht bij De hut van de visser, Varengeville kwamen.

Het schilderij vat de ontdekkingen van de impressionistische voorgangers samen. De lichtspreiding van Daubigny en de blik onder een scheve hoek van Manet zijn in een en hetzelfde beeld verenigd.

Monet maakte het schilderij aan de Normandische kust, waar hij vaak werkte in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Steeds kiest hij een uitsnede die niet overeenstemt met de verwachting van de beschouwer. In Parijs was het meest extreme voorbeeld La Manneporte bij Entretat, vloed uit 1885.

Een rotspartij in de vorm van een reusachtige broek tot de riem steekt in het water. Die vergelijking zegt al te veel. De linker pijp zie je niet, die bevindt zich voor het grootste deel buiten het doek. Onder het stenen kruis van het kledingstuk kijk je de lucht in. Dit is geen eerbetoon aan de natuur, maar een blik vanuit een volkomen waanzinnig standpunt.

Falaise

Nog doller wordt het als blijkt dat Monet zich geenszins bekeert tot het absurde, niets van: "ja, ja, dit heb ik nu eens even ontdekt'. De steenpartij is gehuld in lyriek. Het gekste vergezicht krijgt pas zijn waarde als het wordt bezongen, zoiets moet hij hebben gedacht. Blauwe, gele en groene toetsen maken de falaise licht, geven hem een toevallig bestaan.

Een ander schilderij in het Grand Palais heette De hut van de douanier in Varengeville uit 1882. Wat de titel belooft is op de voorstelling zelf natuurlijk maar klein. De hut staat in de voorgrond, een rots, begroeid met struikgewas, torent boven hem uit.

Ik noem dit doek, omdat het samen met de vissershut (het wordt ook wel De hut van de douaniers genoemd) in Boymans-van Beuningen deel uitmaakt van een serie, jaren voordat Monet met de hooischelven in verschillende jaargetijden, zijn meesterproef, begon.

Het werk in Rotterdam is het mooist. Alles is hem hier gelukt. Steeds wordt de blik eerst gevangen door de kleine hut voor vissers of douaniers en dan heeft de beschouwer het al verloren. Hij moet de wijk nemen naar de overvloedige rotsen waar zo weinig houvast is te vinden, dan maar terug naar de hut, heen en weer.

Die wisselwerking wordt nog begeleid door het zachtste licht en in elkaar overlopende kleuren: kijk naar ons, het maakt niet uit wat er verder is te zien.

Monet overtreft dit schilderij nog met een Papaverveld uit 1881. In een vraaggesprek met de Amerikaanse Lilla Cabot Perry heeft hij over dit werk gezegd:

“Als je buiten gaat schilderen, probeer dan te vergeten wat voor objecten je voor je ziet, een boom, een huis, een akker of wat dan ook. Denk alleen hier is een blauw vierkantje, hier een roze rechthoek, hier een gele streep, en schilder het precies zoals je het voor ogen hebt, precies dezelfde kleur en vorm, totdat het je eigen naëve impressie van de aanblik voor je weergeeft.”

Een naëve impressie? Voor dit papaverveld had Monet geen ongewone uitsnede of afwijkend standpunt nodig. Het is of hij elke ingreep in het landschap achterwege heeft kunnen laten. De klaprozen en de korenbloemen komen niet meer tot stilstand. Ze buigen op onvoorspelbare plekken in de wind, steeds weer, steeds weer.

Guy de Maupassant zag Claude Monet in Normandië, in 1885. Hij was geen schilder meer, maar een jager op ogenblikken, begeleid door kinderen die zijn doeken droegen. Vijf of zes onvoltooide schilderijen tegelijk, met hetzelfde onderwerp op verschillende tijdstippen.

Hij stelde de doeken op en bewerkte ze stuk voor stuk, terwijl hij de aanwijzingen van het licht volgde.