Stabiele koersen: handig en verstandig

In de Verenigde Staten van Amerika is een dollar een dollar. Je kunt er in Boston even gemakkelijk mee terecht als een paar duizend kilometer westwaarts in San Francisco. Handig. Vanuit Nederland hoef je maar een paar honderd kilometer te reizen en je kunt niet meer met je gulden betalen. Je moet hem eerst omwisslen in de plaatselijke munteenheid. Onhandig, tijdrovend en kostbaar.

Vandaar dat we in Europa proberen te komen tot een economische en monetaire unie (EMU) met één munt en één centrale bank, zoals in de VS.

Een eerste stap op die weg is gezet toen in 1979 het Europees Monetair Stelsel (EMS) werd opgezet. Het EMS is een afspraak waarbij de valuta (munteenheden) van de deelnemers aan elkaar zijn gekoppeld. Bovendien is elke munt afzonderlijk verbonden aan de European Currency Unit (ECU). De ECU is een gewogen gemiddelde van de munten van alle EG-landen (ook de niet EMS-landen doen mee). Die koppelingen geven vastigheid. Tot voor kort deden alle twaalf lidstaten van de EG, behalve Griekenland, aan de wisselkoersafspraak mee. Dezer dagen zijn het Verenigd Koninkrijk (dat pas in 1990 is ingestapt) en Italië even uitgestapt.

Bekijken we in figuur 1 als voorbeeld de koers van de munt van land A ten opzichte van die van land B. Er is een middenkoers afgesproken, de spilkoers. En er is afwijking (marge) van 2,25 procent naar boven en naar beneden toegestaan. Voor Groot-Brittannië en Spanje geldt een afwijking van 6 procent. Binnen die 4,5, respectievelijk 12 procent bewegingsruimte (bandbreedte) bepalen vraag en aanbod de wisselkoersen. De koers kan daarbinnen appreciëren (in prijs omhoog gaan) of depreciëren (in prijs dalen). De koersen zijn dus niet helemaal aan elkaar vastgeklonken. Maar het is wel een systeem van stabiele wisselkoersen.

Die bewegingsruimte is er omdat de economieën van de verschillende EMS-landen er niet allemaal op dezelfde manier voor staan. Ze vormen immers nog geen echte eenheid. Ieder voert een eigen economisch en financieel beleid. In het ene land gaat het beter dan in het andere. De financiële wereld heeft meer vertrouwen in het ene land dan in het andere. Gaat het goed en is het vertrouwen er, dan staat een munt sterk. Hij wordt veel gevraagd en heeft daardoor een hoge prijs of koers. Gaat het slecht en ontbreekt het vertrouwen, dan wil iedereen van die valuta af: de koers zakt. Dreigt de koers door de ondergrens van de bewegingsruimte te zakken (in de figuur situatie 2), dan moeten de centrale banken die koers steunen door de valuta op te kopen. Bovendien kan de centrale bank van het land met de zwakke munt de rente verhogen. Daardoor verplaatsen beleggers hun geld naar het betreffende land. Zij oefenen vraag uit naar die valuta en ook daardoor stijgt de koers (situatie 3).

De Bank of England heeft, geholpen door de andere centrale banken, massaal ponden gekocht om te voorkomen dat het pond door zijn onderste EMS-grens heen zou zakken. Ook de rente werd verhoogd om het pond te redden. Terwijl een rentverhoging voor een al stagnerende economie nu net verkeerd werkt. Hij remt immers de bestedingen af, die juist gestimuleerd zouden moeten worden.

Op een gegeven moment bleek ook deze interventie niet meer te helpen. De financiële wereld heeft het vertrouwen in de Britse economie en in het pond verloren. Speculanten verkopen ponden die ze nog niet bezitten, verwachtend dat ze na de koersdaling de ponden die ze nodig hebben om te leveren goedkoper kunnen inkopen. Als iedereen een valuta verkoopt, is er ook voor de tussenbeide komende centrale banken geen houden meer aan. Dan zijn er twee mogelijkheden: binnen het EMS de spilkoers naar omlaag brengen of uit het EMS stappen.

Het eerste - devaluatie - zien we in figuur 2. Een devaluatie verplaatst de spilkoers en de bewegingsruimte eromheen naar een lager niveau. Maar devaluatie heeft nog altijd een heel onprettige klank. Je geeft als regering ten overstaan van de hele wereld toe, dat je het niet gered hebt. Voor politici altijd moeilijk te pruimen. Economen zouden willen dat er over het algemeen wat makkelijker gedevalueerd zou worden. Ook weer niet tè makkelijk, want dan is er bijna geen verschil meer met vrij zwevende koersen. Maar het al te lang en krampachtig tegen de marktkrachten in vasthouden van een wisselkoers, is een kostbare en uiteindelijk zinloze operatie. De regering Major heeft gekozen voor de tweede optie: (tijdelijk) uit het EMS stappen. Wat daar minder pijnlijk aan zou zijn, is niet iedereen duidelijk. Ook nu is immers toegegeven dat de Britse economie zo ziek is, dat het pond zich niet aan de gemaakte EMS-afspraak kan houden. Zelfs niet met 12 procent bewegingsruimte. De markt bepaalt nu de wisselkoers van het Britse pond. Wie de Britse politici hoort spreken, krijgt even de indruk dat er bij hun niets aan de hand is en dat het allemaal aan het EMS ligt.

    • Rolf Schöndorff