Ongenoegen over dijkverzwaringen rijkelijk laat

Met rivierdijkverzwaringen en met de berichtgeving daarover is het soms oppassen geblazen. Die associatie kwam bij mij op, toen ik de analyse van Ben Knapen over Het publieke ongenoegen las (NRC Handelsblad, 12 september).

Knapen waarschuwt voor de macht van de publicist als vertolker van het ongenoegen van de afhakende publieke massa. Hij stelt de rol van de bureaucratie en de vervlechting van bureaucratie, belangenorganisaties en politici aan de kaak en voorspelt dat het systeem waarschijnlijk geen stand houdt. Hij concludeert dan verrassend, dat toch elke regio in Europa, dus ook Nederland, op het terrein van “wat vroeger zo mooi Openbare Werken heette” zijn prioriteiten moet stellen en noemt daarbij de belangrijkste: behuizing, onderwijs, de "nachtwakersfunctie' (justitie) en tenslotte de fysieke infrastructuur - wegen, spoorwegen (en dijken, voeg ik er aan toe) - als slechts het zichtbare deel van een collectief psychologisch fenomeen, dat zich onder het begrip Openbare Werken laat rangschikken. Knapen eindigt zijn verhaal met de woorden “zonder publiek legt de civil society het loodje”.

Ik ben het daarmee hartgrondig eens. Twee kabinetsperioden verantwoordelijk voor het infrastructurele deel van de Openbare Werken, en nu van enige afstand de publiciteit en de discussie volgend over de dijkverzwaringen, moeten me zo langzamerhand een paar dingen van het hart.

Even het geheugen opfrissend: mr. H.J. Zeevalking (D66), minister van verkeer en waterstaat in het kabinet-Den Uyl, had de ambtelijke dienst gevraagd alle dijkversterkingsplannen (financieel) op een rijtje te zetten. Er bleek onvoldoende geld aanwezig te zijn om een redelijke voortgang te maken. Toen het CDA-PvdA-D66-kabinet viel, was dat in ieder geval duidelijk. Als Tweede-Kamerleden zijn wij vervolgens door de waterschappen langs een aantal te lage dijken geleid. Het gevolg: in het regeerakkoord van het eerste kabinet-Lubbers werden harde doelstellingen verankerd: 1990 en 1998 als jaren van voltooiing van respectievelijk de deltadijkversterking en de rivierdijkversterkingen. Ik mocht als minister zorgen dat het ook gebeurde. Het besef, dat met veiligheid, c.q. bescherming tegen overstromingen niet te spotten viel, leefde in alle politieke partijen. De herbevestiging in de regeerakkoorden van de volgende twee kabinetten en de motie Eversdijk, in 1991 nog Kamerbreed ondertekend (incl. D66 en Groen Links) onderstreepten dit.

Besefte dan niemand toen, dat dijkversterkingen ook schade aanrichten? Natuurlijk. De uitvoering van de dijkverzwaringen in heel laagliggend Nederland is de vertaling in de vorm van Openbare Werken van het "dit-nooit-weer-gevoel', dat na de ramp van 1953 alom aanwezig was. Het eerst werden de projecten aangepakt, waar de nood het hoogst was: in gebieden, waar de herinnering aan de ramp vers was. Protesten tegen dijkversterkingen in bijvoorbeeld Zeeland waren ondenkbaar.

In het Gelderse en in Zuid-Holland lag dat anders. De discussie in de Alblasserwaard tijdens mijn ministerschap staat me nog helder voor ogen. Op grond van die discussie wil ik de rol van de politiek - op verschillende bestuurlijke niveaus - en die van de ambtelijke informatievoorziening klip en klaar neerzetten.

Uit nieuw onderzoek van Rijkswaterstaat bleken andere (hogere) hoogwaterstanden te komen. Bovendien was er wetenschappelijke kritiek op die berekeningen. Ik heb dat toen door externe deskundigen laten toetsen, met als resultaat, dat de sommen - de informatie dus - klopten.

Misschien hadden we toen opnieuw de politieke afweging moeten maken en de keuze van de norm al of niet moeten herbevestigen, maar dat is nakaarten. We hebben het misschien niet expliciet genoeg gedaan. We hebben wel uitgebreid in de Tweede Kamer over de normen gesproken. Alle partijen vonden toen, dat met de veiligheid niet mocht worden gesjoemeld en dat dus aan de normen niet mocht worden getornd.

Opeenvolgende kabinetten hebben veel nadruk gelegd op gedecentraliseerd bestuur, ook bij de dijkversterkingen: de norm en de financiering bij het rijk, de inpassing en de inspraak bij de provincies en de voorbereiding en de uitvoering van de plannen bij de waterschappen. Een dergelijke aanpak vraagt om terughoudendheid op rijksniveau.

Toen in 1984 de provincie Zuid-Holland bij het rijk aanklopte om hulp om de impasse in de Alblasserwaard in het overleg tussen waterschap, gemeenten en belangengroepen te doorbreken, ben ik over die terughoudendheid volstrekt duidelijk geweest: wèl de bereidheid om een rijkswaterstaatsprojectgroep (als ingenieursbureau) in te zetten in een proefproject (in Sliedrecht), maar dat alleen met als doelstelling, dat van die aanpak een voorbeeldwerking bij andere projecten van waterschappen en provincies zou uitgaan. In Zuid-Holland heeft dat gewerkt. In Gelderland kennelijk onvoldoende. De proefprojecten, die de huidige minister van verkeer en waterstaat begin van dit jaar aanbood aan Gelderland hadden datzelfde doel. Ik hoop dat ze in staat is de tegenstellingen tussen voor- en tegenstanders in ieder geval zo ver te overbruggen dat men weer naar elkaar luistert.

Een andere discussie waarover niet altijd even zorgvuldig wordt geschreven heeft betrekking op de procedures. Tijdens mijn ministerschap ben ik - op het terrein van de rivierdijkversterkingen - herhaaldelijk geconfronteerd met de zeer lange en complexe procedures, zowel bij het rijk als bij de provincies, de gemeenten en de waterschappen. Een aantal malen heb ik vereenvoudigingen aan rijkszijde kunnen doorvoeren. In dat licht paste het toen niet om het nieuwe instrument van de milieu-effectrapportage (MER) ook nog eens op alle rivierdijkversterkingen van toepassing te verklaren. Samen met VROM-collega Ed Nijpels hebben we toen de zogeheten drempelwaarden zo gekozen (5 km) en in het MER-besluit vastgelegd dat de meeste rivierdijkversterkingen er buiten vielen. Dat was iedereen bekend, dus ook de politici. Ieder politiek besluit kan op een gegeven moment worden herroepen, ook het MER-besluit van 1987. Het gaat alleen niet aan om te beweren, dat rivierdijkversterkingen in stukken worden geknipt om de MER te ontlopen; dat is geschiedvervalsing.

Bij alle heroverwegingen van politieke besluiten gaat is het niet juist om naar de ambtelijke diensten te wijzen. Hun rol is niet meer, maar ook niet minder dan het - met grote deskundigheid - presenteren van de relevante feiten. Ik heb ervaren dat dit over zeer veel zaken heel open gebeurt, ook als dat grote consequenties voor de eigen dienst heeft. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een aantal heroverwegingen bij het Oosterscheldeproject.

Knapen stelt dat elke regio op het terrein van de Openbare Werken haar prioriteiten moet stellen. Ik onderschrijf dat. Voor ons land is de beveiliging tegen overstromingen naar mijn mening een eerste prioriteit. De mate waarin dat gebeurt is óók een politieke keuze, die op grond van betrouwbare informatie moet geschieden. Ik hoop en verwacht, dat de feiten en cijfers nu goed door het onderzoek van het Waterloopkundig Laboratorium en door de Rand Corporation worden genalyseerd en dat de commissie-Boertien daarover wijs zal adviseren. Dat de zorg voor de dijken in ons land altijd zal blijven, daar ben ik van overtuigd. Dat die zorg met grote zorgvuldigheid voor natuur en landschap moet worden uitgevoerd is vanzelfsprekend.