OESO-rapport: Universiteit slokt budget op; "Nederlander laag opgeleid'

DEN HAAG, 24 SEPT. Nederland geeft relatief weinig geld uit aan basis- en voortgezet onderwijs. Niettemin besteedt Nederland vergeleken met andere landen een hoog percentage van zijn bruto nationaal produkt (BNP) aan onderwijs. Dat komt omdat een groot deel van het onderwijsbudget aan universitair onderwijs wordt uitgegeven. Dit blijkt uit het vandaag verschenen rapport "Education at a glance' van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Volgens de OESO is de Nederlandse bevolking in vergelijking met die in de andere 23 lidstaten relatief laag opgeleid. Dit wordt veroorzaakt door een achterstand in het verleden. Inmiddels is Nederland op de goede weg. Jongeren in Nederland volgen vaker dan in andere landen een of andere vorm van onderwijs (58,2 procent in de leeftijdsgroep 2 tot 29 jaar). Slechts in Frankrijk (62 procent), België (63,6) en Spanje (59,6) is dat percentage hoger.

Een andere conclusie uit het rapport is dat Nederland - in tegenstelling tot wat velen denken - geen onderwijzersland is. Slechts 3,1 procent van de actieve bevolking werkt in Nederland in het onderwijs, waarvan slechts 2,6 procent voor de klas staat. In Duitsland werkt 3,3 procent in het onderwijs en in België is dat 5,8 procent.

Het rapport is het eerste dat verschijnt in het kader van een project dat een betrouwbare vergelijking van het onderwijs in de OESO-landen beoogt. Het project verkeert nog in een experimentele fase. Vanaf 1994 hoopt de OESO de informatie routinematig te kunnen verzamelen. Het nu gepubliceerde rapport is grotendeels gebaseerd op cijfers uit 1988. Het is wel de grootste vergelijkende studie die tot dusver op het gebied van onderwijs is gemaakt, aldus de OESO.

In een eerste reactie benadrukt het Nederlandse ministerie van onderwijs en wetenschappen - in navolging van de OESO zelf - dat de gepubliceerde cijfers “geen voldoende basis vormen om beleidsbeslissingen op te nemen”. De algemene conclusie die het ministerie uit het onderzoek trekt is dat Nederland door de hoge participatiegraad onder jongeren “in een goede uitgangspositie verkeert om een reeks nieuwe uitdagingen aan te kunnen”. Een OESO-onderzoeksrapport uit 1990, dat geheel aan het Nederlandse onderwijs was gewijd, constateerde dat ook al.

Pag 3: Grote klassen in Nederland

De lage uitgaven voor het voortgezet onderwijs zijn volgens het ministerie voor een deel het gevolg van de relatief grote klassen in Nederland. De Nederlandse klas telt, aldus de OESO, 20 leerlingen per leraar. Alleen in Turkije (22,7) en in Noorwegen (20,9) zijn de klassen groter. In België zijn er 8,3 leerlingen per leraar. Het ministerie gaat de juistheid van deze OESO-gegevens nog nader onderzoeken. Het CBS meldde voor 1988 een gemiddelde klasgrootte van 16,1. Het ministerie is niet van plan de klassen te gaan verkleinen.

Uit het OESO-rapport blijkt dat, volgens de cijfers van 1988, in Nederland 6,6 procent van het BNP aan onderwijs wordt uitgegeven, terwijl het gemiddelde van de 24 lidstaten van de (OESO) op 5,7 procent ligt. Alleen Canada, Denemarken en Finland geven meer uit. Van de onderwijsuitgaven gaat iets meer dan 55 procent naar het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Nederland scoort daarmee het laagste van alle 24 OESO-landen: het gemiddelde is 73 procent.

Per leerling in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs besteedde de Nederlandse overheid in 1988 respectievelijk 1.913 dollar en 2.263 dollar. Het OESO-gemiddelde is 2.711 en 3.150 dollar. Daar staat tegenover dat per student in het hoger onderwijs door de overheid veel meer wordt uitgegeven: 9.542 dollar. Het OESO-gemiddelde is 4.705 dollar. Voor een deel is het hoge bedrag voor hoger onderwijs te verklaren doordat in de Nederlandse cijfers van de uitgaven voor hoger onderwijs de kosten voor studiefinanciering, onderzoek en wachtgelden zijn meegeteld. Bij andere landen vallen die elementen onder een andere begroting en worden in de OESO-cijfers niet meegeteld. Overigens gaf een Nederlands onderzoek van de uitgaven voor hoger onderwijs uit 1991, door het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid in Enschede, een vergelijkbaar beeld te zien als in het OESO-rapport. Het ministerie van onderwijs heeft inmiddels opdracht gegeven voor een nieuw onderzoek naar welke factoren de kosten bepalen in het hoger onderwijs.

Nederland valt tussen de OESO-landen op door zijn sterk gecentraliseerde financiering van het onderwijs. 95,4 procent van de uitgaven worden bepaald op het rijksniveau. Alleen in Portugal (100 procent) en Ierland (95,8) worden nog meer uitgaven bepaald op centraal niveau. Het Nederlandse financiële centralisme staat overigens een grote autonomie van de scholen niet in de weg. Volgens de systematiek van het OESO-rapport wordt in Nederland op de openbare basisscholen 52 procent van alle beslissingen op de school zelf genomen, in het eerste deel van het voortgezet onderwijs is dat 46 procent en in het tweede deel daarvan zelfs 59 procent.

Nederland is geen land van doctorandussen. Van de 20 OESO-landen die in deze vergelijking voorkomen tellen alleen Oostenrijk en Portugal minder academici: respectievelijk vijf en vier procent. In de VS heeft 23 procent een academische graad. Een universitaire graad is in Nederland op de arbeidsmarkt ook niet veel waard. Na Spanje (10,7 procent) kent Nederland het hoogste werkloosheidspercentage (5 procent) onder academici. Duitsland heeft ook veel werklozen met een titel: 4,5 procent.