Gêne politici over moreel appel misplaatst

Het politieke seizoen gaat weer van start, een nieuw parlementair jaar isaangebroken. In dat kader is NRC Handelsblad een debat begonnen over het publieke ongenoegen. Hoofdredacteur Ben Knapen beet het spits af. Kern van zijn betoog: burgers en politici zijn beiden het gevoel van richting en regie kwijtgeraakt. Nederland - en het geldt voor vele landen - wordt begeleid, niet meer geleid. Begeleid door een reusachtige bureaucratie niet alleen van de eigenlijke overheid maar ook van adviesraden en belangenorganisaties.

En intussen raakt de macht zoek. Waar niemand de leiding neemt, waar beslissingen altijd meerkoppige co-produkties zijn, is ook niemand aanspreekbaar. De overheid zoekt die co-produkties ook. Zij heeft als normgevend instituut namelijk moeite om te overtuigen en wordt geplaagd door zelftwijfel.

Knapen zegt: “Nog afgezien van de vraag of een overheid als dominante leverancier van waarden en normen wenselijk zou zijn, het bureaucratisch model maakt de overheid er ongeschikt voor. Blijft de vraag: hoe valt het risico te bestrijden van een samenleving waar iedereen - achter een dun, afbrokkelend laagje vernis - lak heeft aan iedereen?”

Inmiddels brokkelt de lak langzaam weg en raakt het vernislaagje sleets. Criminaliteitscijfers stemmen weinig vreugdevol. Het minderhedenvraagstuk begint scherpere trekken te vertonen. De overheid rent rekenend achter de calculerende burger aan. De moeite die de Duitse overheid heeft om de verwende Westeuropeanen wat welvaart in te laten leveren voor hun verwante buren, die plotseling aan dezelfde tafel zitten, spreekt - ook in onze richting - boekdelen. Voeg daarbij de offers die ook het milieubeleid nog van ons zal gaan vergen, en er is er alle reden voor zorg.

Publieke vraagstukken van een enorme reikwijdte dienen zich aan en ondertussen groeit de twijfel of onze samenleving, of de democratie er nog wel in zal slagen deze op te lossen. Belemmeringen zijn er in diverse gedaanten. In de eerste plaats is er de toenemende mondialisering van vraagstukken. Markten internationaliseren. Het marktcorrigerend overheidsbeleid blijft er vooralsnog bij achter. In EG-verband blijkt het al bijzonder moeilijk om tot een gemeenschappelijk ecologisch en sociaal beleid te komen. En toch is dat nodig omdat anders het land dat zich het minst gelegen laat liggen aan de ecologische en sociale inbedding van de markteconomie de toon zal zetten. Spelbederf loont in zo'n geval, omdat het water - kapitaal en bedrijfsinvesteringen - naar de laagste plaats stroomt. Op mondiale schaal neemt dit probleem kwadraatsgewijs toe. De milieuconferentie in Rio heeft dat nog eens duidelijk gemaakt. En nu dreigt de broodnodige slagvaardigheid van de overheid hier bekneld te worden door een overmaat aan internationale onderhandelingen en voor de burger ondoorzichtige besluitvormingsprocessen. Dat de burger actie wil, maar inmiddels wel terugschrikt voor een overdragen van het beleid aan Brussel, compliceert dit vraagstuk bovendien aanmerkelijk. Voor mijn partij is dat een reden om het uit crhisten-democratische traditie stammende subsidiariteitsbeginsel als leidraad voor de Europese integratie te kiezen.

Een tweede belemmering ligt in de bureaucratische onbeweeglijkheid. Op de schrille contrasten die Knapen schetst is overigens wel iets af te dingen.

In het recente CDA-jaarboek heeft premier Lubbers een aantal majeure operaties die in de steigers zijn gezet nog eens voor het voetlicht gehaald. De tripatisering van het arbeidsvoorzieningenbeleid, de reorganisatie van de politie en de rechterlijke macht, de herijking van het onderwijsveld, de herverkaveling van het openbaar bestuur en de door de staatssecretaris De Graaff in gang gezette regionalisering van het grootstedelijk bestuur. Dat neemt niet weg dat klachten over de stroperigheid van de besluitvorming hout snijden.

Maar laten wij niet vergeten dat vooral ook staats- en bestuursrechtelijke initiatieven, die op het eerste gezicht vernieuwend waren, debet zijn aan deze onbeweeglijkheid en starheid. Inspraak- en beroepsmogelijkheden hebben katalyserend gewerkt en een overmaat van wachttijden, papier en heroverwegingen in het leven geroepen. Het oprekken van de overheidsambities heeft het bureaucratische vreugdevuur nog eens van nieuwe olie voorzien. Reden voldoende om de discussie over kerntaken en de herverkaveling van publieke verantwoordelijkheden voort te zetten.

Als iets de afgelopen jaren duidelijk is geworden dan is het wel dat de overheid zonder een draagvlak in de bevolking, nauwelijks uit de voeten kan. De staat is een gemeenschap, waarvan overheid en burgers deel uitmaken. Het schip van staat is een schuit waarin wij allen zitten. Daarom maken het milieubeleid, de maatregelen in de sfeer van de rechtshandhaving, de inspanningen om onze sociale zekerheid overeind te houden, daarom maken deze alle weinig kans van slagen als burgers niet innerlijk van de problemen doordrongen zijn. Als zij niet gemotiveerd zijn om het plastic tasje dat om de gehuurde videocassette heengaat eens een keer te weigeren. Als gezinnen en scholen niet bereid zijn om het verschil tussen mijn en dijn nog eens duidelijk te maken. Of als mensen als het ware met boodschappenkarretjes het filiaal van de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid betreden en het voor anderen een sport is om minutieus grenzen van het fiscale stelsel te verkennen. Toch doet zich hier een belangrijk probleem voor. Wij hebben het er als burgers, maar zeker als overheid moeilijk mee gekregen om elkaar aan te spreken op "het betere ik'.

Om dat duidelijk te maken citeer ik een passage uit het bekende boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama. “Het wordt bijzonder moeilijk voor mensen in een democratische samenleving om vragen met een echt morele inhoud in het openbare leven serieus te nemen. Moraal impliceert onderscheid tussen betere en slechter, goed en kwaad wat een schending betekent van het democratische principe van verdraagzaamheid.” En even later: “De leer die zegt dat de ene opvatting beter is dan de andere en dat er geen absolute waarheden bestaan, past heel goed bij de democratische mens die graag gelooft dat zijn manier van leven even goed is als elke andere”. Mensen moeten zich niet met elkaars levensinvulling bemoeien, en zeker de overheid niet. Zij moet zich buiten waardenconflicten in de samenleving houden, zo luidt het liberale credo. De overheid past neutraliteit. Anders gezegd: het past haar niet om een leidende rol in de samenleving te vervullen.

Het private domein moet zoveel mogelijk afgeschermd blijven van het de vrijheid begrenzende publieke domein. Dat is gedurende lange tijd de vuistregel van de politiek geweest.

Toch heeft juist deze opvatting van democratie nare consequenties voor onze democratische rechtsstaat. Op overtuigende wijze zijn die door Alisdair Macintyre in kaart gebracht. Om het verwijt van moralisme en zedenmeesterij niet over zich af te roepen, voelt de overheid zich gedrongen om maatschappelijke problemen in rekenkundige en bureaucratische termen te gieten. Fraude in de sfeer van sociale zekerheid en fiscaliteit wordt verbonden met de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat of met een te omvangrijke wig. Maar zelden sprak de politiek gewoonweg van diefstal.

Rechtshandhaving wordt al snel een kwestie van geperfectioneerde opsporingstechnieken en pakkansen. Goed onderwijs is al snel doelmatig onderwijs. Kan een minister van onderwijs en wetenschappen zich veroorloven de sociaal-normatieve component van het onderwijs aan te snijden? Een milieubeleid is beter te verkopen in termen van technische voorschriften dan in termen van rentmeesterschap en solidariteit met het nageslacht. En voor je het weet zijn medisch-ethische vraagstukken getrokken in de sfeer van de verdeling van schaarse medische middelen, van nominale premies en van nieuwe en goedkopere behandelingstechnieken. Is een minister van justitie die de traditionele primaire functies van de strafrechtspleging, zoals normbevestiging en opvoeding, te berde brengt een moralist?

De vervreemding die is ontstaan tussen burger en overheid, tussen electoraat en politiek heeft alles te maken met de vertechnisering van het publieke debat en het politieke discours.

En die stamt voor een deel weer uit een vrijheidsbegrip dat in de moraal, in de ethiek eerder een begrenzing dan een voorwaarde voor zelfverwerkelijking van de mens is gaan zien. Op het publieke domein kwamen de categorieën van goed en kwaad in de beklaagdenbank te staan. De politiek werd nog wel geacht leiding te geven, maar dan in technisch-administratieve zin. Noties van burgerschap en sociale ethiek raakten echter de horizon. We zijn er sterk in geworden om vraagstukken van onderlinge solidariteit, van WAO-problemen, van fraude en van rechtshandhavingsproblemen te vertalen in economische groeimodellen, de uitwisseling van gegevens, elektronische registratie, pakkansen et cetera. In een instrumenteel jargon dus, dat burgers bij voorbaat wil vrijwaren van burgerlijke verplichtingen.

In het verlengde daarvan ligt de massale uittocht van mensen uit èn het verval van maatschappelijke organisaties die op het zogenoemde middenveld de sociale ethiek institutioneel belichaamden. De overheid kreeg het drukker, trok veel taken naar zich toe met alle bureaucratiserende effecten van dien. De neuzen gingen in de richting van de overheid staan, vervreemding van de achterban in de hand.

Het is verleidelijk om dieper in te gaan op de vraag waar de aversie tegen de moraal en ethiek toch vandaan komt. Een eerste verklaring biedt het toenemende relativisme, de leer dat alle waarden tijd- en plaatsgebonden zijn en bovendien de belangen weerspiegelen van degenen die deze propageren. Voor de hartstocht en fascinatie die Knapen bepleitte, biedt dit relativisme een karige voedingsbodem.

Ter oriëntatie geef ik een oude vertolker van de relativistische gedachte het woord. Niemand minder dan Pascal zegt: “Zoals de mode en de gewoonte de heersende smaak bepaalt, zo bepaalt ze ook de rechtvaardigheid”. Immers wie meent ergens vaste grond onder de voeten te hebben, wacht een teleurstelling als hij iets verderop zijn ogen de kost geeft. Pascal schrijft verder: “Drie breedtegraden naar het noorden gooien (...) de jurisprudentie omver, een meridiaan verandert de geldende rechtswaarheid; na enkele jaren veranderen de meest fundamentele wetten”. Het klinkt bijna post-modernistisch. Maar er is nogal een verschil. Van de post-modernen kan bepaald niet gezegd worden dat zij onder het relativisme lijden, zoals bij Pascal het geval was. Hij zou nooit hebben kunnen begrijpen, dat mensen nà hem het relativisme zegevierend zouden omarmen. Meer en meer is de normloosheid, en haar sociologische bijprodukt: het verval van het middenveld, als een bevrijding ervaren.

Opvallend is daarnaast dat wij moderne mensen moraal vooral verbinden met ascese, met een aversie tegen zinnelijk genot, tegen vreugde en plezier. Normen en waarden zijn hinderlijk, zij staan een aangenaam leven in de weg en barricaderen de vrijheidsdrang. Ook de kerken en identiteitsgebonden instellingen hebben daaraan vaak bijgedragen. De moraal is niet zelden tot een systeem van benepen regeltjes geworden, waarmee mensen elkaar subtiel de ogen uitkrabden. Een middel tot strakke sociale controle waarmee het leven in al zijn uithoeken kon worden beheerst.

Toch is die ontwikkeling opvallend te noemen, omdat onze cultuur en haar traditie ook een totaal andere invalshoek kent. Het Oude Testament spreekt over de wet als levensbron. De christelijk traditie sluit zich daarbij aan. Illustratief is dat S. Kierkegaard in de ethiek de enige waarborg ziet voor een gelukkig, aangenaam leven, voor de esthetiek zoals hij dat noemt. En een auteur als Dostojevski neemt stelling tegen een cultuur die vrijheid vereenzelvigt met een riante koopkracht en veel bestedingsalternatieven. “Dat is in werkelijkheid geen vrijheid, maar alweer slavernij, slaafse afhankelijkheid van geld. Integendeel de hoogste vrijheid bestaat niet in het vergaren van rijkdommen, maar in het delen van bezit en het werk voor allen.”

Centrale vraag bij het thema van het publieke ongenoegen is of politici de hartstocht nog op kunnen brengen om de grote uitdagingen waar onze samenleving voor staat, echt aan te gaan. De vraag is redelijk urgent. Het gaat niet over abstracties, maar over de vraag hoe wij met de voormalige Oostbloklanden om zullen gaan. Over een geloofwaardige bestrijding van de criminaliteit: zorg voor slachtoffers in persoon, straf voor daders in persoon. Over de vraag hoe wij verder moeten na Rio. Over onze benadering van de verzorgingsstaat, die naarmate zij meer openingen biedt voor misbruik en verloedering minder kan betekenen voor de echte kwetsbaren. Een stelsel dat zich leent voor omvangrijke dubieuze praktijken verliest immers uiteindelijk zijn geloofwaardigheid.

Zullen wij politiek-betrokkenen die majeure publieke vraagstukken weten te identificeren en zo krachtig over het voetlicht kunnen brengen dat burgers bereid zijn zich daar ook zelf voor in te zetten en er middelen voor te reserveren?

Voorwaarde lijkt mij te zijn dat politici het weer aandurven om de veilige haven en de geruststellende neutraliteit van de bureaucratische begrippenkaders en concepten de rug toe te keren. Een knagende twijfel aan de eigen missie en gêne om een moreel appel op de bevolking te doen, zijn misplaatst. Het is niet voor niets dat de befaamde socioloog Christopher Lasch zichzelf in zijn jongste boek afvraagt of onze democratie in staat is om van haar bevolking de offers te vragen die uit een oogpunt van milieubeheer en -behoud nodig zijn. Ook volgens hem is actie dringend geboden. Maar tekenend is dat hij zijn heil vervolgens niet zoekt in allerlei staatkundige aanpassingen en vernieuwingen. Geen pleidooien voor propaganda-technieken en flitsende, maar vluchtige debatjes als aandachtstrekkers. Nee, Lasch gaat op zoek naar culturele onderstromen in de samenleving. Onderstromen die vrijheid niet opvatten als vrijblijvendheid of vereenzelvigen met bestedingsvrijheid, maar in de moraal een voorwaarde zien voor de verwezenlijking van de mens en de bloei van de democratie. Aan die culturele onderstromen zal de politiek meer en meer moeten refereren.

Als ik het goed zie, is daar ook behoefte aan bij al omvangrijker lagen van de bevolking. Lang voordat politici en ambtenaren - lange tijd vooral geschoold in sociale wetenschappen - zich dat realiseerden, wisten zij het beestje bij de naam te noemen. Zij konden weinig aan met verhullende termen als deviant gedrag, een protest tegen de maatschappelijke orde, tegen de kapitalistische infra-structuur en dergelijke. Zij ondergaan ook de technische termen en probleemdefinities, waarover ik sprak, vaak als vervreemdend. Zij ergerden zich waarschijnlijk al zeer lang aan misbruik en fraude, maar konden er bij de overheid, bij de sociale diensten niet mee uit de voeten.

De afstand tussen en burger en overheid - waarover zoveel wordt gesproken - kon weleens te maken hebben met een verschil in probleemdefinities. Dat zou betekenen dat het publieke ongenoegen te bestrijden is als politici met heldere verhalen komen, de problemen bij de naam noemen en ook zelf de daad bij het woord voegen. Dat vraagt om politici die niet, voordat zij tot actie overgaan, eerst alle mogelijk electorale verschuivingen calculerend in willen schatten, maar met overtuiging de publieke zaak dienen. Alleen zo'n overtuiging, en de volharding die daarbij past, kunnen tot resultaten leiden. En ook die zijn nodig, want een overheid die - terecht - een appel doet op burgerschap, maar zelf de slagvaardigheid mist, verliest haar geloofwaardigheid en werkt tegelijkertijd de demotivatie en het ongenoegen in de hand.