Een schaamlap voor het politieke falen

Schuldbewust, dat klinkt schijn- baar als een nauwkeurige omschrijving van de reacties van politici, groot en klein, op het debâcle van het Europese Monetaire Stelsel en op de bijna-mislukking van Mitterrands referendum van afgelopen zondag toen een grote minderheid der Fransen het verdrag van Maastricht verwierp. "Er moet veel meer voorlichting komen en Europa moet minder technocratisch en bedillerig worden', heet het in verschillende talen. Het is altijd een mooi gezicht wanneer politici het boetekleed aantrekken, want normaal gesproken beperken ze zich tot klachten over het electoraat - dat ziek zou zijn, berekenend en vatbaar voor de demagogie van allerlei politieke zondagsjagers. De vraag is alleen, is het wel een boetekleed of is het in werkelijkheid een schaamlap waarachter het politieke falen andermaal verborgen moet worden gehouden?

Want, let goed op. Meer voorlichting? Dat lijkt veelbelovend, maar eigenlijk wordt met die belofte de vermoeidheid van de politiek onderstreept over het onvermogen van de gemiddelde burger om zich de stof eigen te maken. Het is als de leraar die zich met een diepe zucht naar het bord keert om die domme leerlingen het allemaal nog maar weer eens uit te leggen. En technocratisch en bedillerig? Dat is een onverdiende steek onder water aan de hardwerkende ambtenaren die de doorgaans onmogelijke compromissen van politici in enigszins leesbare en begrijpelijke teksten moeten zien te vatten. Het is dus eerder een afleidingsmanoeuvre waarmee we worden geconfronteerd dan een poging om de kiezer openhartig te informeren over de grenzen van het politiek en economisch mogelijke.

En daar gaat het om. Het verdrag van Maastricht is inderdaad zodanig ingewikkeld dat het houden van een referendum daarover een gotspe mocht worden genoemd - er bleken in Frankrijk bijvoorbeeld weer allerlei polls en wetenschappelijke onderzoeken nodig te zijn om de uitslag te duiden. Als per ongeluk het verdrag verworpen was, had niemand op basis van die uitslag alleen kunnen verklaren waarom dat was. Maar de ingewikkeldheid van het verdrag van Maastricht is niet een gevolg van technocratische opzetjes. Zij stamt regelrecht van politieke pogingen het nauwelijks verbindbare te verbinden.

John Major wilde het Verenigd Koninkrijk dichter bij Europa brengen. Daartoe ging hij kort na zijn benoeming tot eerste minister, in Bonn op bezoek bij kanselier Kohl. Samen stelden zij vast dat de afstand tussen de Tories en de continentale christendemocratie al lang geen Kanaal breed meer was. Hoever Major wilde gaan, bleef gissen, maar hij suggereerde: behoorlijk ver. Alleen, hij had een verdeelde achterban en een voorgangster die het hem niet gemakkelijk wilde maken. Help mij, zei Major tegen zijn Europese collega's, dat is ook in jullie belang.

Zo ontstond het verdrag van Maastricht en wie goed kijkt, ziet twee verdragen: een voor het continent en een voor het Verenigd Koninkrijk, en dan nog dat vreemde voetnootje voor Ierland. Nog steeds was er niets ernstigs gebeurd, het verdrag weerspiegelde in al zijn politieke en juridische onvolkomenheid de Europese werkelijkheid. Maar toen de leiders van Maastricht thuis kwamen, ging het mis. De Britten kregen te horen dat hun soevereiniteit was gewaarborgd, de continentalen dat niets wezenlijks de economische en politieke eenheid meer in de weg stond. Er waren nog obstakels, horden en valkuilen, maar met goede wil kon er iets groots worden verricht. De weg was afgebakend.

De eerste die zich verhief was de Duitse populaire pers. Zij stelt zich op als de bewaker van de portemonnaie van "Herr Bundesbürger'. En had de Bonner regering daarin niet al te stevig gegraaid om die verkwistende Europese partners ter wille te zijn?

Met de Duitse hereniging was men al beet genomen en dat mocht voor Europa niet nog eens gebeuren. Een dergelijk gevoelen kan niet met succes worden bestreden met behulp van overheidsbrochures op glansdrukpapier, gesponsorde televisieprogramma's en het plaatsen van mobiliserende teksten langs de autoweg. Hier is nodig een geloofwaardige politicus die de moed heeft om toe te geven dat zijn boodschap onaangename kanten heeft, maar dat het toch ieders belang is om er goed naar te luisteren alvorens conclusies te trekken. Die politicus ontbreekt vooralsnog in Duitsland.

De taak om de Duitse economie in evenwicht te houden viel onder deze omstandigheden toe aan de centrale bank in Frankfurt. Zij beschikt over een beperkt arsenaal, maar dat doet zich voelen tot ver over de grenzen. Het verhaal is al vaak verteld: de hoge Duitse rente en de zwakke dollar maakten duidelijk dat de Britten boven hun stand leefden. Het Britse pond was al overgewaardeerd toen het in het EMS werd opgenomen en die overwaardering was alleen maar toegenomen. Sommigen noemen wat er gebeurde het afdekken van risico's, anderen spreken van speculatie, hoe het zij het pond geraakte in een vrije val. De pelotons van de centrale banken bleken niet langer opgewassen tegen de horden van wat samengevat de financiële wereld heet.

In Londen heeft de markt de rekening gepresenteerd. Het is één ding om in de voormalige communistische staten propaganda te maken voor de markt, het is weer eens wat anders wanneer de markt zijn vaak stinkende afval op de eigen stoep deponeert. Volgens de economische wetenschap is de nationale munt rekeneenheid en ruilmiddel, maar in de ogen van veel mensen is zij het symbool van de magische en onvervreemdbare eenmaligheid van volk en staat. De val van het pond was dan ook behalve een gezonde aanpassing aan de monetaire werkelijkheid een echo van de tragedie in Suez van 1956. Toen probeerde Groot-Brittannië zich tevergeefs vast te klampen aan zijn geschiedenis als wereldmacht, nu bleek dat het de kracht miste om zich op gelijke voet bij het continent aan te sluiten.

Als ook de Britse regering tot voorlichting zou willen overgaan, zou zij er goed aan doen de kiezers uit te leggen dat wat er is gebeurd niets te maken heeft met Europese technocraten, teutoonse machtswellust of continentale onbetrouwbaarheid, maar alles met oneerlijkheid van de Britten tegenover zichzelf. Dat dit geen onnodige bezigheid zou zijn, kan worden afgeleid uit tal van commentaren in de Britse media en uitlatingen van Brittannië's belangrijkste politieke leiders zelf. Er is dus wel degelijk een taak voor de politiek, maar die is zo ongeveer de zwaarste die een politicus zich kan voorstellen: zonder fratsen zeggen waar het op staat.

    • J.H. Sampiemon