Een oude ereschuld

Terwijl de meesten hoogbejaard en der dagen zat aan de zuurstoffles wachten op de snel naderende dood, delibereert men in Den Haag al bijna twee jaar over de vraag of een groep voormalige Limburgse mijnwerkers wel of niet in aanmerking moet komen voor een extra uitkering wegens silicose, een progressieve aandoening aan de longen door ingeademd kolenstof.

Tijdens een debat gisteren in de Tweede Kamer spuwden Kamerleden hun gal uit over staatssecretaris Ter Veld van Sociale zaken. Haar werd laksheids verweten met de regeling van de tegemoetkoming. Ze wil eerst nog eens het advies afwachten van de gezondheidsraad. Veel tijd is er niet, want bijna dagelijks sterven er oud-mijnwerkers aan silicose die ze opliepen in de mijnen, hoewel het verband tussen de ziekte en hun werk tot op de dag van vandaag nog wordt ontkend.

In feite moet Ter Veld opknappen wat premier Lubbers op zijn geweten heeft. Dat was in december 1990, toen hij ter gelegenheid van de herdenking van het begin van de mijnsluitingen 25 jaar eerder, in de namaakmijn in Valkenburg in een gesprek met oud-mijnwerkers sprak van “het inlossen van een ereschuld.” Nog zijn het gehijg en het gerochel van het groepje silicoselijders in de oren blijven hangen. En het waren toen nog de besten die de emotionele confrontatie aankonden.

Het begrip "ereschuld' werd Ter Veld gisteren van alle kanten ingepeperd. Maar ze zwichtte niet voor de aandrang om snel tot een afrekening te komen, omdat het volgens haar een juridisch vraagstuk is of de betrokkenen uit de juiste pot, de ongevallenwet of de wao, hun uitkeringen kregen. Formeel gezien heeft ze gelijk. Maar in deze kwestie is mededogen waarschijnlijk meer op z'n plaats dan formaliteit.

Want waar gaat het helemaal om? Om niet meer dan 350 mensen. Een Limburgse stuurgroep, die na de Valkenburgse belofte van Lubbers werd ingesteld, stelde deze week na zorgvuldige maar ruimhartige afweging, zoals een lid zegt, de groepsgrootte aldus vast en adviseerde om aan ieder hunner een eenmalige uitkering van twintigduizend gulden bruto te geven. Dat is in totaal zevenhonderdduizend gulden. Een koopje zo gezegd voor werk dat smerig was en ongezond, maar dat niettemin met veel overgave werd verricht om de Nederlandse staatshuishouding, vooral kort na de Tweede Wereldoorlog, aan voorspoed te helpen.

Het gaat die mannen in doodsnood natuurlijk niet in de eerste plaats om het geld, want ze zullen de tijd niet krijgen om dat nog op te maken. Waar het hen wel om gaat is dat ze op de rand van hun graf alsnog de erkenning krijgen dat ze wel degelijk ziek zijn geworden door het werk in de mijnen en dat de mijndirecties hen later als oude schoenen afschaften toen de kolen geen toekomst meer hadden. Een beetje lucht, daar vragen ze om. Of zou de staatssecretaris denken dat, indien zij maar lang genoeg wacht, het probleem door uitsterving vanzelf overgaat?