Eén op 100.000 appelbomen haalt de rassenlijst; DE KUNST VAN HET WEGGOOIEN

Omdat binnenkort het spuiten tegen schimmels en insekten aan banden wordt gelegd, wordt in de fruitteelt naarstig gezocht naar nieuwe resistente rassen. Er zijn nieuwe appelrassen genoeg, maar de vraag is: zijn ze ook lekker?

Boomgaard "de Santacker' is nu op zijn mooist. Zo ver het oog reikt staan de jonge appelboompjes op het Betuwse proefbedrijf hun best te doen. Ze dragen takken vol blozende rode, gele en groene appeltjes. Maar de een is te wrang, de ander wormstekig. Uiteindelijk haalt maar één van de honderdduizend zaailingen na twintig jaar onderzoek de rassenlijst.

"Voor ik hier kwam werken werd me meteen gevraagd of ik wel een geduldig type was', zegt dr.ir. Joke Janse (33) lachend. Vier jaar geleden nam ze het onderzoek over van haar voorganger, dr. Thijs Visser. Het appelveredelingsprojekt is in 1948 opgezet door het Instituut voor Veredeling van Tuinbouwgewassen in Wageningen (nu: CPRO-DLO). Hier worden jaarlijks 18.000 zaden uitgezaaid. Zo'n 1000 veelbelovende boompjes verhuizen twee jaar later naar de proefboomgaard in Elst, en uiteindelijk gaan twee tot vijf selecties per jaar door naar het rassenonderzoek in Wilhelminadorp.

Elstar-effekt

In de loop der jaren heeft dat acht rassen opgeleverd. Daarvan zie je vooral de Elstar steeds vaker bij de groenteman. Hij is net als zijn zusjes Elan en Elise vernoemd naar zijn geboortedorp. De nieuwe Elstars zijn nu net van de boom, drie weken vroeger dan anders. "Dit ras heeft de Nederlandse fruitteelt een enorme oppepper gegeven, het Elstareffect', zegt Joke Janse. "In de zeventiger jaren gingen de zaken tamelijk slecht. Toen de Elstar in 1975 op de markt kwam viel hij meteen op omdat hij zo lekker was. Steeds meer oude rassen worden nu door Elstar vervangen, op dit moment al 20 tot 25 procent van het areaal.'

De oorspronkelijke kruising dateert al uit 1955, tussen de rassen Golden Delicious (uit 1877) en Ingrid Marie. Jammer genoeg was toen nog niet voorzien dat bestrijdingsmiddelen minder populair zouden worden. Om topprestaties te leveren moet de Elstar zoals de meeste rassen flink worden gespoten, alleen al tegen de schimmelziekten schurft en meeldauw zo'n twaalf tot vijftien maal per seizoen. Schimmelwerende middelen maken 60 procent van het totale bestrijdingsmiddelengebruik in de fruitteelt uit. Daarnaast moeten onkruid, insekten en mijten worden bestreden.

Zieltogend

Ook proefboerderij "de Santacker' werd vroeger volgens schema gespoten en vervolgens keken de selecteurs vooral naar zaken als produktie, vruchtkwaliteit en bewaarbaarheid. Tegenwoordig staat ziekteresistentie centraal. "Toen ik hier begon hebben we het roer helemaal omgegooid,' zegt Joke Janse. "Gevaren van bestrijdingsmiddelen voor mens en milieu kregen steeds meer aandacht, het Meerjarenplan Gewasbescherming kwam eraan, allerlei middelen gaan verboden worden, vandaar. Je ziet in de fruitteelt steeds meer niet-chemische alternatieven zoals onkruid branden en biologische bestrijding van mijten. Maar voor schimmelziekten is resistentieveredeling het enige echte alternatief.'

Op "de Santacker' zijn bespuitingen tegen schurft en meeldauw geschrapt en de gevolgen zijn dramatisch. Commerciële toprassen als Elstar en Golden Delicious staat hier zieltogend in het veld. Bladeren zitten vol zwarte schurftvlekken, hele scheuten zijn afgestorven door de meeldauw. Hier en daar hangt nog een appeltje, allesbehalve appetijtelijk. Zo zien die rassen er dus van nature uit. Ze dienen als vergelijkingsmateriaal en zorgen tevens in de boomgaard voor een flinke infectiedruk. Vergeleken daarmee staan de nieuwe selecties er opvallend fris bij, daar zijn ze immers op geselecteerd. "Wat we nu willen is eigenlijk een nieuwe Elstar met schurft- en meeldauwresistentie', vat Janse het programma bondig samen. In het nieuwe kweekprogramma moet tenminste een van beide kruisingsouders een zekere resistentie bezitten tegen schurft, meeldauw en liefst ook kanker. Vaak zijn dat onbekende rassen of wilde soorten met slechte vruchtkwaliteit. Ook worden bijna-rassen die de eindstreep in Wilhelminadorp net niet hebben gehaald vaak gebruikt om verder mee te kweken.

Weggooien

Al met al worden elk jaar zo'n 30 verschillende oudercombinaties geprobeerd. Op de bloeiende "moederboom' worden de bloemblaadjes verwijderd, waarna het stuifmeel van de juiste "vaderboom' wordt aangebracht. Om vreemd stuifmeel te weren en voor een beschut microklimaat te zorgen worden de bestoven bloemen, 18.000 stuks in totaal, vervolgens ingepakt in witte papieren zakjes, die vrolijk in de wind wapperen en bij treinreizigers richting Elst voor veel verbaasde gezichten zorgen.

Vier van de vijf bestuivingen mislukken meteen, slechts één op de vijf bloemen zet vrucht en uit zo'n appel haal je gemiddeld vijf zaden. Bestuiving van 18.000 bloemen levert dus 18.000 zaden op, waarvan er 17.000 na een koudebehandeling in Wageningen willen kiemen. Daarna kan het grote weggooien beginnen. Tweederde van de plantjes blijkt vatbaar voor schurft en ligt dan ook al na veertien dagen op de composthoop. Vermoedelijk is hierbij één hoofdgen voor resistentie in het spel naast enkele "kleinere', additionele genen die het effect compleet moeten maken.

Meeldauw

De rest wordt uitgeplant op twee veldjes achter het instituut. Hier moet blijken of ze tegen meeldauw kunnen, een andere schimmelziekte, die zich als een wit pluis over de plant verspreidt alsof die met meel bestoven is. Voor meeldauw is, anders dan voor schurft, nog geen handige vroege kastoets beschikbaar. "Meeldauw is een vrij complex probleem', zegt Janse. "Er bestaat wel absolute resistentie tegen, maar meestal werken we met kruisingsouders die niet absoluut resistent zijn, maar wel een behoorlijk niveau van resistentie bezitten, partiële resistentie. Dit komt doordat je meestal schurft én meeldauwresistentie in een kruisingsouder wilt combineren.'

In de praktijk wisselt de meeldauwaantasting nogal van jaar tot jaar. Kleine verschillen in resistentieniveau zijn moeilijk in een jong plantstadium te beoordelen. Misschien is het ook zo dat de boom zijn fysiologische afweerreacties tegen een meeldauwinfectie pas op latere leeftijd volledig kan ontplooien. Dit wordt nog nader uitgezocht. Pogingen om meeldauwaantastingen op het blad te kwantificeren met behulp van een beeldanalyser zijn voorlopig gestrand op het feit dat de computer geen verschil zag tussen wit schimmelpluis en witte bladhaartjes, en het ene ras is nu eenmaal veel hariger dan het andere.

Groeikrachtige, meeldauwresistente bomen met een fatsoenlijke groeivorm en niet te wild of stekelig, en met grote bladeren (als aanwijzing voor grote vruchten, later) mogen vanuit Wageningen door naar "de Santacker' in Elst.

Plukboek

Gemiddeld dragen de bomen in het zesde jaar na de kruising vrucht, sommige al in hun derde, andere pas in hun zevende jaar. Op "de Santacker' worden nu kruiwagens vol verse appels de schuur ingereden en het ruikt hier dan ook ontzettend lekker. Meer dan de helft van de bomen is overigens al afgekeurd op produktievermogen of vruchtuiterlijk voordat men toekomt aan de eerste echte oogst. Die gaat in blauwe plastic bakjes, elke boom zijn eigen bak. Met het Plukboek op schoot laat assistentonderzoeker Jac Verhaegh die razendsnel door zijn handen gaan, al 25 jaar lang. Hij ruikt eraan, kijkt naar kleur en kleurpatroon, vruchtvorm en verruwing van de schil en neemt uit elke appel een hap. Dat is voldoende om smaak, suiker en zuurgehalte, sappigheid en stevigheid te beoordelen.

"Het is veel objectiever dan je zou denken', zegt Joke Janse. "Een slechte smaak is vaak te wijten aan een verkeerde suiker-zuurbalans en die haal je er zo uit. Daarnaast kunnen bepaalde aromatische stoffen zorgen voor een vieze metaal-, parfum-, of perziksmaak.'

Soms waren zulke aroma's achteraf gezien al bij de ouders vaag aanwezig en zijn ze bij de nakomelingen duidelijker naar voren gekomen. Vaak ook worden aroma's sterker tijdens het bewaren.

Goedgekeurde monsters worden in de koelcel op bewaarbaarheid getoetst. Een appel die hard van de boom komt blijft langer goed dan eentje die versgeplukt al zacht is, de hardheid neemt min of meer lineair af in de tijd.

Kloontje

Is alles in orde, dan wordt de boom, die tot nog toe gewoon op eigen wortel stond, op onderstam vermeerderd tot een kloontje van tien genetisch identieke bomen. Dat wil zeggen dat ze allemaal precies dezelfde eigenschappen hebben als de uitverkoren "moederboom'. Je kunt van één appelboom een heleboel "ogen' nemen en die op een reeks van onderstammen enten. Bovendien tempert de onderstam de groei van de vruchtboom ten gunste van de vruchtzetting.

Per jaar worden 20 kloontjes gemaakt, die na twee jaar weer vrucht dragen. Daarvan worden er twee tot vijf per jaar uitgekozen voor het rassenonderzoek in Wilhelminadorp. Daar zijn ondermeer betere faciliteiten om de bewaarbaarheid te onderzoeken. Zo eens in de vier tot vijf jaar rolt er dan een echt ras uit.

Smakelijk

Zo kreeg Elan in 1985 kwekersrecht, een smakelijke vroege appel die niet zo goed bewaarbaar is en daarom nooit erg bekend is geworden. In 1990 werd Elise geïntroduceerd. Volgende herfst zijn daarvan de eerste appels in de groentewinkel te verwachten. Een nieuw ras begint met een "oplage' van zo'n 200.000 bomen, waarvan er 3500 op een hectare gaan. Al een jaar na het planten begint de eerste oogst, die op kan lopen tot 35 á 60 ton per hectare.

Het is een enorm verschil met de vroegere hoogstambomen, waarvan er maar 200 op een hectare stonden. Bij een opbrengst van 200 kilo per boom was de oogst van een hoogstamboomgaard zo'n 40 ton per hectare. Het grote verschil is vooral dat zo'n boomgaard pas na een jaar of 20 volgroeid was en bovendien veel lastiger te plukken dan de naoorlogse "spiltypes'.

Tamelijk verrassend is de nieuwste vondst op het gebied van plukgemak: het kolomtype. Het is een lachwekkend soort lantarenpaal zonder zijtakken, met alle appels gewoon aan de stam. Dit is eigenlijk een spontane mutant met gestoorde groeihormoonhuishouding. Aan nieuwe kolomselecties met verbeterde vruchtkwaliteit en ziekteresistentie wordt gewerkt. Je zou 20.000 kolombomen per hectare kunnen planten, als elke boom vijf kilo vruchten draagt haal je 100 ton per hectare. De appels hangen onbeschaduwd in de volle zon en dat komt de kleur ten goede. Anderzijds kost zo'n dichte aanplant ook veel geld (6 tot 7 gulden per boom, in tien jaar economisch afgeschreven). Maar als er ooit een appelplukmachine op de markt komt, is dit beslist een handige boom.

Achter de schermen wordt intussen hard gezocht naar nieuwe veredelingstechnieken om plantjes met de juiste eigenschappen in een zo jong mogelijk stadium op te sporen en de rest meteen weg te gooien.

Het allermooiste zou zijn als je een handjevol gewenste genen rechtstreeks in een bestaand goed ras kon inbrengen. Er worden recepten uitgeprobeerd om appelbladponsjes genetisch te transformeren en daaruit dan weer intacte planten op te kweken. Ook wordt gezocht naar moleculaire merkers (waaronder de zogenaamde RFLPs). Acht Europese appelinstituten werken samen in EG-verband aan een chromosomenkaart van de appel, dit in navolging van ondermeer tomaat, mais en tabak en niet te vergeten de mens. "Ons projekt gaat vijf jaar duren', zegt Joke Janse. "Nou ja, je hebt kaarten en kaarten natuurlijk...'

De fruittelers volgen al zulke ontwikkelingen met argusogen. Bij het gebruikswaarde-onderzoek lopen ze de deur plat. Er zijn nog ongeveer 3000 appeltelers over met een gezamenlijk areaal van 16.000 hectare. Gevreesd wordt dat er door de toenemende aanplant van goede nieuwe rassen en ook vanwege het groeiende aanbod van appels van het zuidelijk halfrond in de jaren negentig weer een overschot zal ontstaan. De Elstars, veel aangeplant om hun hoge prijs, worden al weer wat gewoner en dus ook goedkoper. Het is een spijtige gedachte dat er nu al weer appels worden doorgedraaid.