Een man die danst en vrijt; Maurice Pialat maakt onsentimenteel portret van Van Gogh

Van Gogh. Regie: Maurice Pialat. Met Jacques Dutronc, Alexandra London, Gérard Sety, Bernard Le Cocq. Amsterdam, Rialto; Arnhem, Filmhuis.

We hebben het Vincent van Gogh-jaar overleefd en ons geërgerd: wat werden zijn schilderijen misbruikt. Door gedenkboekensamenstellers. Door cafetaria-houders. Door stropdas-ontwerpers. En wat is zijn leven misbruikt, door de makers van films en televisieseries. Robert Altman voorop, met zijn smakeloze, ook in de Nederlandse bioscoop uitgebrachte, Vincent and Theo, die geen haar beter was dan het tenminste nog eerlijk-ordinaire Lust for Life (1956, met Kirk Douglas als Vincent van Gogh). Je zag 'm wel eens met een penseel in zijn hand en kopieën van de doeken stonden voortdurend uitgestald, maar in de eerste plaats maakten de filmers een gekwelde, gestoorde gek van hem, met mollige liefjes en smeuiïge contacten met hoeren. Contactgestoord ten opzichte van zijn broer Theo, de kunsthandelaar die ondanks diens wangedrag Vincents werk blijft aanprijzen, grof tegen zijn Hollands-kleinburgerlijke schoonzusje Jo. Verder volop sensatie: waanzin, een afgesneden oor, zelfmoord. En dat allemaal met een acteur die zo sprekend mogelijk moest lijken op Vincent van Gogh en tegen de achtergrond van op vette wijze aan zijn schilderijen ontleende decors en kleuren.

Van Gogh noemde de Franse cineast Maurice Pialat zijn film en achter die even zakelijke als minimale aanduiding gaat nu eens geen sensatiezucht schuil, maar een visie. Pialat hield zich verre van een gemakzuchtige imitatie van de Van Gogh-stijl. Zijn beelden zijn realistisch en helder. Ze worden overheerst door bruinen, zwarten en blauwen, al verhindert de somberheid niet een uitbundige kleurtoets van een boeket, een witte meisjesjurk, een vlek zon. Liet hij zich voor licht, kleur of mise en scène wel inspireren door de schilderkunst, dan gebeurde dat niet op een gratuite, behaagzieke manier. Het Parijse bordeel dat Van Gogh frequenteert werd door Pialat getoonzet met de zwier en vegen van de schilderijen van Henri Toulouse-Lautrec. Spannend is hoe Pialat de onoverbrugbare tegenstelling tussen Vincent en zijn broer Theo in schilderkunstige termen weergaf. We zien Theo wegsmelten bij het zicht op zijn badende vrouw: ze hurkt tegen een donkere achtergrond in een lage teil, ze giet het water over haar ronde roomrozewitte schouders. Een lieflijke roze vrouwenweelde, die haar omgeving met haar vormen verlicht, een levend werk van Renoir. Eerder in de film toonde iemand een schilderij van Renoir aan Vincent. Hij keek erlangs, kon er geen belangstelling voor opbrengen. Daar ligt de wortel van hun controverse, impliceert Pialat: in hun tegengestelde kijk op schoonheid.

Alhoewel plaats (Auvers-sur-Oise) en personages (dokter Gachet bij wie Vincent zijn toevlucht neemt na een verblijf in een inrichting, diens dochter, Vincents broer, diens vrouw en hun pasgeboren zoontje) herkenbaar zijn, heeft Pialat niet de pretentie een getrouw beeld te geven van de laatste maanden van Vincent Van Gogh. De film is opgezet als persoonlijke interpretatie van een schildersleven. Van Goghs neiging tot zelfverminking ging hij niet uit de weg, maar het speelt geen rol: de schilder heeft allebei zijn oren nog (""je ziet er niets meer van'', zegt een vriendin eer ze hem in haar armen neemt). Zijn wanen en depressies uiten zich terloops, door plotselinge irritatie of doordat hij ineens zijn gezelschap verlaat en de rivier induikt.

De schilderijen komen nauwelijks in beeld. Zien we Vincent aan het werk, dan zien we geen schildersbeest dat in trance aan het scheppen is, maar een ambachtsman die driftig streeft naar perfectie. Pialat ziet in hem een geniaal denker die zijn ogen gebruikte als tong en zijn handen als mond. Iemand die met beelden zijn gedachten tot uitdrukking moest brengen, omdat de woorden en de gebaren hem ontbraken. Iemand die daardoor steeds verder geïsoleerd raakte, want de mensen om hem heen spraken zijn taal niet, hoe graag ze zich ook met hem verstonden.

Jacques Dutronc gaf in deze film gestalte aan Vincent van Gogh en hij doet dat onvergetelijk. Zijn bleke ogen met hun borende blik, zijn stuurse houding, zijn charme die tegen wil en dank man en vrouw verleidt - Dutronc valt uiterlijk van alle Van Gogh-vertolkers misschien wel het minst samen met zijn voorbeeld, maar hij roept hem het sterkst op. Samen met regisseur Pialat ontwierp hij een vrolijke man, die graag onder de mensen is. Iemand die danst en vrijt, die hecht aan kameraadschap met mannen en sensuele vriendschap met vrouwen. Groot is dan ook de schok wanneer Pialat hem eindelijk, voor het eerst, in zijn eentje toont: op zijn kale kamer boven het dorpscafé, zijn blik strak gericht in de loop van het pistool dat hij op zichzelf richt. Het gezicht is eens zo smal, het licht eens zo smoezelig. Pas op dat moment realiseren we ons ten volle hoe verloren deze man is. Hij verdraagt het niet om alleen te zijn, voelen we. En hij is altijd alleen, ook temidden van de mensen met wie hij zich omringt.

Pialat zocht verder en eigende zich het recht toe zijn Vincent van Gogh op te nemen in een breed spectrum van personages, die hem vormen en die door hem vorm krijgen. Zij zijn allemaal evenzeer hoofdpersonen naast Vincent: de snobistische dokter Gachet, gemankeerd kunstenaar en altijd bezig zich te bewijzen; Theo die zich opgesloten voelt in zijn huwelijk en die zijn broer misschien diens waanzin benijdt; Jo die beiden bemint, en zich verweert tegen de wetenschap dat ze beide broers zal verliezen. En de meisjes: Marguérite, de vrijgevochten rebelse dochter van dokter Gachet; Aline uit het café; Cathy, de prostituée uit Parijs - Pialat was altijd goed voor en met meisjes. Hardvochtig voor ze, begaan met ze, zodat ze als verliezers overwinnen. In Passe ton bac d'abord, in A nos amours, in Police. En nu ook weer in Van Gogh.