Don Quichotte op de broeikaskermis

Science and Fiction of the Greenhouse Effect and Carbon Dioxide. C.J.F. Böttcher. The Global Institute for the Study of Natural Resources. 1992. Koninginnegracht 47, 2514 AE Den Haag. Geen ISBN Prijs ƒ 18,50 + ƒ 3,- verzendkosten.

Omstreeks 1980 eindigde de periode waarin de angst voor een nieuwe ijstijd abrupt plaats maakte voor bezorgheid over het omgekeerde: dat de aarde - en op veel kortere termijn - juist veel warmer zou worden. Vandaag ligt de term op ieders lip en is de zorg over de opwarmende aarde uitgegroeid tot een soort religie. "There is nothing like a good apocalypse' weten inmiddels veel milieu-ministeries en onderzoeksinstituten die hun budget onverwacht door het broeikaseffect zagen veilig gesteld.

Ministers die zich elke ochtend opnieuw het verschil tussen dioxine en dioxide en N2O en NO2 moeten inprenten roepen ons op tot beperking van de CO2-uitstoot zonder dat ze ons kunnen duidelijk maken wat er precies gebeurt als we dat niet doen. En wat onze beperking überhaupt uitmaakt als China en India toch aan het industrialiseren slaan.

Emeritus hoogleraar dr. C.J.F. Böttcher, fysisch chemicus en mede-oprichter van de Club van Rome, is de broeikas-kermis al jaren een doorn in het oog. Als medewerker van het in Den Haag gevestigde "Global Institute for the Study of Natural Resources' heeft hij er drie jaar voor uitgetrokken om alle argumenten tegen de geaccepteerde broeikastheorie bijeen te brengen. Vorige week verscheen de weerslag van zijn studie in een handzaam boekje.

Een leesbaar rapport. Böttcher fulmineert tegen de nonsens die door politici, media en actiegroepen is uitgekraamd en het is een genoegen het eens bij elkaar te zien. Een troost te merken dat ook anderen zich ergeren aan de VN-humbug die in het recente Rio-verdrag of het oudere Brundtland-rapport van 1987 is opgenomen. Zelfs kan men wel gevoelig zijn voor zijn kritiek op het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change dat in 1988 onder VN-auspiciën voor het coördineren van het onderzoek aan klimaatverandering werd opgericht. De methode van "science by consensus' waartoe het IPCC soms lijkt te vervallen is tamelijk nieuw. Ook is de discrepantie tussen het wetenschappelijk rapport van het IPCC (1990), vol academisch voorbehoud, en de "executive summary' opvallend.

Helder als glas

De vraag is natuurlijk of Böttcher erin slaagt de fundamenten onder de broeikas-theorie aan te tasten. Daarin stelt zijn rapport bitter teleur en dat komt vooral door het beleid van het IPCC zelf dat alle leemten in kennis, alle twijfel en voorbehoud expliciet in haar laatste Supplement (1992) opneemt. En door de aard van het onderhavige probleem: fysische wetten, zo helder als glas, voorspellen dat de aarde meer stralingsenergie van de zon gaat vasthouden als zich in de aardatmosfeer sporegassen ophopen die de kortgolvige warmtestraling van de zon doorlaten en de langgolvige warmtestraling van de aarde absorberen (en terugstralen). Dat de concentraties "thermal trapping' gassen toeneemt is onweerlegbaar en het is wonderlijk dat Böttcher alleen waterdamp en CO2 als broeikasgassen behandelt. Juist de concentraties methaan, cfk-11 en cfk-12 en N2O zijn sterk toegenomen.

Het probleem is dat nog steeds niet helemaal duidelijk is hoe de aarde op de veranderende warmtebalans zal reageren. En dat een statistisch significant effect nog steeds niet is aangetoond. De temperatuurstijging die de laatste 130 jaar is waargenomen (0,3 à 0,6 graden) staat niet in goede verhouding tot de stijging van het gehalte aan CO2 en methaan die voor dezelfde periode is vastgesteld. De bestaande klimaatmodellen geven sterk verschillende uitkomsten voor de te verwachten veranderingen in het klimaat. Maar het IPCC zelf wijst op de grote tekortkomingen van de grofmazige modellen: de invloed van de oceanen is er onvoldoende of zelfs helemaal niet in verwerkt, interactie met de biosfeer blijft buiten beschouwing, en zoiets als wolkvorming wordt slechts schematisch beschreven. Als Böttcher die punten op zijn beurt als serieuze kritiek op de theorie brengt vertelt hij dus niets nieuws. Men vraag zich dan eerder af waarom hij geen melding maakt van één van de grootste leemten in kennis: de "missing CO2-sink' die verhindert dat een sluitende koolstofbalans voor de atmosfeer wordt opgesteld.

Aan alle voorbehoud van het IPCC heeft Böttcher niets wezenlijks toe te voegen. Goedbeschouwd draagt hij in zijn rapport maar drie, vier feiten aan die, althans in het publieke debat, tamelijk nieuw zijn. Hij wijst erop dat de langlopende continue CO2-metingen op Hawaï (Mauna Loa) plaats vinden in de buurt van werkende vulkanen die zelf CO2 produceren. Daarmee zijn de waarnemingen (die hebben aangetoond dat het CO2-gehalte van de atmosfeer sinds 1958 steeg van 315 ppm naar 350 ppm) au fond onbetrouwbaar. Dat is waar, maar Böttcher had eraan behoren toe te voegen dat een waarnemingsreeks die in hetzelfde jaar 1958 op de zuidpool begon niettemin precies dezelfde trend toont als Mauna Loa.

Verstrekkender lijken, op het eerste gezicht, de consequenties van de onlangs gepubliceerder resultaten van onderzoek door het Norsk Polar Institutt die uitwezen dat de CO2-bepalingen aan de boorkernen uit het landijs op de zuidpool niet helemaal correct zijn uitgevoerd. De werkelijke CO2-gehaltes zouden daardoor zijn onderschat. Böttcher refereert in dit verband aan de zogeheten Vostok-boorkern die met zijn lengte van 2000 meter ijsgeworden sneeuw bevat van 160.000 jaar oud (een periode die de laatste ijstijd omvat). Het interessante van de Vostok-kern is dat hij een verbluffend parallel verloop van luchttemperatuur en atmosferische CO2-concentratie laat zien en dat aspect wordt door geringe correcties op de CO2-waarden niet aangetast. Böttcher zwijgt over het onderzoek aan veel kortere boorkernen, zoals de Siple-kern die door Oescher en Siegenthaler werd onderzocht, dat CO2-gehaltes uit de laatste twee eeuwen opleverde die naadloos aansluiten op de recente waarnemingsreeksen zoals die van Hawaï. En dat ook ander onderzoek (isotoop-onderzoek) waarden oplevert voor historische CO2-concentraties.

Het IPCC erkent in zijn laatste Supplement dat de geringe en grillige temperatuurstijging van de laatste 130 jaar de broeikastheorie weinig steun geeft (al heeft men er een verklaring voor) maar put "hoop' uit de waarneming dat de recente jaren tachtig de warmste van deze eeuw waren. Böttcher weerlegt die uitspraak met de constatering dat "highly precise measurements' met radiometers in satellieten, die sinds 1979 plaats vinden, juist geen enkele trend in de temperatuur aantonen. Dat is appels met peren vergelijken: de satellietwaarnemingen, die overigens juist vèrre van precies zijn, staan voorlopig geen goed vergelijk toe met temperatuurmetingen aan het aardoppervlak.

Zeespiegel

Dat het, ten slotte, geen moeite kost literatuur te vinden waarin wordt beweerd dat de voorspelde rijzing van de zeespiegel (door uitzetting van het opwarmende zeewater) gedeeltelijk kan worden gecompenseerd door aangroei van het landijs van Antarctica en Groenland (toenemende sneeuwval in een vochtiger klimaat) is al lang bekend. Het overgangs-effect is door Oerlemans voor Groenland beschreven. Bij een voortschrijdende opwarming zal de balans toch doorslaan en zal de ijskap op Groenland juist materiaal gaan verliezen.

De conclusie is dat Böttcher enerzijds geen serieuze poging doet alle zwakten in het huidige broeikasonderzoek helder en volledig bijeen te brengen en anderzijds niet in staat is werkelijk nieuwe zwakten op te sporen. In zijn verontwaardiging brengt hij appels en peren, rijp en groen, in een onbruikbaar gerecht bijeen. Te vrezen valt dat zelfs het Nederlandse bedrijfsleven (dat in de persoon van Shell, Texaco, Akzo, Hoogovens, DSM, KLM, ANWB, Bovag, blijkens een openhartige opsomming in het rapport, de voornaamste geldschieter is van het Global Institute) Böttcher in de strijd tegen de dreigende CO2-heffingen niet graag aan zijn zijde ziet.