Vrijwillige vaccinatie heeft een sterke traditie

Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) ziet in de polio-explosie geen aanleiding vaccinatie verplicht te stellen. Dat standpunt heeft een sterke traditie in ons land. Toch blijft de vraag of de samenleving weerloos moet toezien dat ouders op grond van godsdienstige opvattingen hun ouderlijke macht zo gebruiken dat hun kinderen een substantiële kans lopen levenslang invalide te worden.

De vraag stellen is hem beantwoorden, vond de huidige Amsterdamse hoogleraar jeugdrecht Doek bij de vorige polio-explosie in 1978: we doen toch ook iets tegen kindermishandeling? Doek bepleitte een vaccinatieplicht. In afwachting daarvan zouden kinderen van weigerachtige ouders tijdelijk onder toezicht van de kinderbescherming moeten worden gesteld om de prik te kunnen ontvangen. Doek beriep zich op een precedent uit 1973 toen de rechtbank in Dordrecht een ouder schorste omdat hij op religieuze gronden toestemming weigerde voor een hartoperatie van zijn kind. Uitblijven van de operatie zou ernstige en blijvende gevolgen hebben terwijl het operatierisico slechts 10 procent was. Weigering was volgens de rechter “grove verwaarlozing”. Eerder werd al eens een kind onder toezicht gesteld waarvan de ouders weigerden mee te werken aan behandeling van een aangeboren oogafwijking met gevaar voor blindheid.

Het verschil met vaccinatie is echter dat het hier om acute en grote gevaren voor de gezondheid van het kind ging. Maatregelen ter bescherming van kinderen kunnen in het geval van polio hooguit worden genomen wanneer bijvoorbeeld buren of gezinsleden besmet zijn, betoogde mr. G.W.Brands-Bottema enkele jaren geleden in het Nederlands Juristenblad. Het risico is dan zo groot dat overheidsingrijpen gerechtvaardigd is. Een algemene preventieve maatregel valt veel moeilijker juridisch en praktisch te funderen. Praktisch, omdat het met kwade honden slecht hazen vangen is; preventie staat of valt met gemotiveerde, dus vrijwillige medewerking. Juridisch is een inbreuk op de godsdienstvrijheid toegestaan indien dringend noodzakelijk in belang van de volksgezondheid, maar dat belang valt moeilijk in te roepen nu het slechts om afnemende aantallen weigeraars gaat. De medische risico's zijn volgens Brands-Bottema zo gering “dat het toestaan van overheidsdwang gelijk staat met een onbeperkte overheidsbemoeienis met de opvoeding”.

Dat laatste is natuurlijk wel erg gericht op de situatie van de weigeraars. En het recht van het kind dan? Een ieder, dus ook een kind, heeft een grondwettelijk erkend “recht op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid” inclusief het voorkomen van ziekten. De moeilijkheid is alleen dat dergelijke sociale grondrechten gelden als een zorgplicht voor de overheid en niet als een bevoegdheid tot ingrijpen in de particuliere sfeer.