Uitbreiding EG lijkt van de baan

De gebeurtenissen die begonnen met het Deense "nee' in juni en eindigden met het Franse "ja' op 20 september waren opwindend genoeg om de herinnering te verdringen aan onstuimiger dagen, nog maar vier maanden geleden, toen de belangrijkste kwestie waarmee de Gemeenschap werd geconfronteerd, was: moeten we de Gemeenschap verdiepen, of moeten we snel uitbreiden, en nieuwe leden toelaten uit het gebied van de Europese Vrijhandels Associatie in 1995 en uit Oost-Europa aan het eind van het decennium?

Ironisch genoeg zijn deze beide kwesties nu van de agenda verdwenen. De Gemeenschap van de Twaalf zal zich niet verdiepen. De gebeurtenissen van de afgelopen twee weken zullen de de Denen er bepaald niet van overtuigen dat ze hun nee in een ja moeten veranderen - integendeel.

De Britse regering zal ontdekken dat het onmogelijk is de anti-Duitse sentimenten te sussen die zich zowel in de eigen partij als in het hele land hebben ontwikkeld. Ratificatie in Groot-Brittannië wordt moeilijk omdat de geloofwaardigheid van de regering in Europese kwesties al onherstelbaar is aangetast. Andere EG-landen die de afgelopen weken een speelbal zijn geworden van de financiële markten worden wellicht met overeenkomstige gevoelens van de bevolking geconfronteerd.

De belangrijkste doelstelling van integratie - een gemeenschappelijke munt - is in de ogen van Groot-Brittannië overleefd, ondervindt geen steun in Denemarken en wordt zwakker in de andere landen. Wat de uitbreiding van de Gemeenschap betreft is het te verwachten dat het tegenovergestelde zal gebeuren, waarbij de "zwakke' economieën in de coulissen blijven staan, terwijl een selecte groep - het D-mark-blok - de mogelijkheden van verdere integratie bestudeert.

Zelfs met de kennis die we nu hebben kan niet de kloof worden verklaard tussen het optimisme in mei en de ontnuchterende stand van zaken in september. Maar er zijn een paar belangrijke punten aan te wijzen.

In de aanloop tot het Franse referendum werd het duidelijk dat de betrekkingen tussen Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland veranderden op een manier die onaanvaardbaar is gebleken voor en onverenigbaar met de logica van het Europese politieke establishment.

Voorafgaande aan het Deense referendum, was de Britse premier John Major erin geslaagd om - na de koele betrekkingen in het Thatcher-tijdperk - met kanselier Kohl een "entente cordiale' tot stand te brengen tussen Groot-Brittannië en Duitsland. Kohl steunde Majors pogingen om uitbreiding boven aan de EG-agenda te zetten.

Van zijn kant gebruikte Major de uitbreiding van de Gemeenschap als middel om de kritiek van zijn eigen partij om te buigen. In tamelijk cynische bewoordingen ondersteunde Major een snelle uitbreiding van de EG, waarvoor hij tegenover zijn fractie als argument aanvoerde dat verregaande Europese integratie alleen al onmogelijk wordt door de enorme hoeveelheid werk die het kost om nieuwe lidstaten erin op te laten gaan.

De behoefte van de Britten om hun rol in het hart van Europa op te hemelen en tegelijkertijd de Gemeenschap slechts als eenvoudige vrijhandelsmarkt af te schilderen lag er altijd al dik bovenop. De Britten hebben nog altijd de slechte gewoonte te geloven dat ze alleen al door hun deelname het recht hebben de dienst uit te maken.

Tegelijkertijd bleken de vriendschappelijke betrekkingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland onacceptabel te zijn voor Frankrijk waar politici het publiek aanspoorden ja te stemmen om ervoor te zorgen dat de Frans-Duitse as het hart van de gemeenschap zou blijven. Een nee werd gekarakteriseerd als dè manier om de Britse belangen en de Britse betrekkingen met Duitsland belangrijker te maken dan de Franse.

Het Franse politieke establishement werd zonder twijfel gesteund door groepen binnen een steeds verdeelder wordend Duitsland. Reacties van de Bundesbank die de Britse valuta ondermijnden, waren geen ongeluk of stommiteit, maar bedoeld om de positie van Groot-Brittannië in de EG te verzwakken.

Dat brengt ons bij de uitslag van het Franse referendum. Veertig procent van de mensen die nee stemden, deden dit omdat zij vreesden voor een Gemeenschap die door Duitse belangen zou worden gedomineerd. Dit is een opvallend aspect van de publieke opinie in Frankrijk, waar de Gemeenschap altijd is voorgesteld als de enige manier waarop de Fransen in de toekomst conflicten met Duitsland kunnen voorkomen (Nederlandse politici hangen ditzelfde idee op hun manier aan).

Het is nu duidelijk dat een groot aantal mensen niet langer in een dergelijke voorstelling van zaken gelooft. De boodschap is dat de Gemeenschap niet kan worden gebouwd op het spookhuis van herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Er moet iets positievers voor in de plaats komen. Omdat dat een culturele onderneming van enorme omvang is, zullen steeds meer mensen, vooral als gevolg van de afgelopen twee weken, het standpunt innemen dat het huidige Duitsland en als afgeleide daarvan het sterke blok van D-mark-economieën, waaronder Nederland, hun deel van de economische depressie moeten dragen.