Positie vrouwelijke schoolhoofden in gedrang

Ze blijven zeldzaam: vrouwen die een basischool bestieren sinds de fusie in 1985 van het lager- en kleuteronderwijs. De komende schaalvergroting in het basisonderwijs zou een aanslag kunnen betekenen op het toch al geringe aantal vrouwelijke schoolhoofden.

AMSTERDAM, 23 SEPT. Natuurlijk krijgt ze nog wel eens post voor de heer Henrichs, maar als vrouwelijke directeur voelt ze zich volkomen geaccepteerd. G. Henrichs is sinds anderhalf jaar de enige directeur (“Geen directrice!”) van de Montessori-basisschool Maas en Waal in Amsterdam.

Oorspronkelijk deelde zij de leiding met een mannelijke collega, maar “een van de weinige dingen waarin ik Deetman achteraf gelijk moet geven is dat hij tegen de tweehoofdige leiding op de basisschool was. Je kunt geen twee kapiteins op een schip hebben.” Na een slepend conflict is de man opgestapt en nu is de school van Maas en Waal een van de weinige basisscholen met een vrouwelijke manager.

Vrouwen in de leiding van basisscholen, het thema van een conferentie die vandaag in Amersfoort wordt gehouden, blijven zeldzaam. Amsterdam bijvoorbeeld telt 221 basisscholen waarvan 45 een vrouw als schoolhoofd hebben. Op het symposium wordt onder meer de vraag aan de orde gesteld of juist deze vrouwelijke managers hun baan zullen verliezen of opgeven bij de naderende schaalvergroting in het basisonderwijs.

Dat gevaar is niet denkbeeldig want, zegt Henrichs, bij de fusie van kleuter- en lager onderwijs in 1985 moesten zowel het hoofd van de lagere school, als de hoofdleidster van de kleuterschool een plaats in de leiding van de basisschool krijgen. Henrichs: “Veel vrouwen traden toen terug als teamlid, gingen weer louter voor de klas staan. De vrouwen die bleven, werden adjunct of op z'n best mede-directeur.”

Zelf werd zij in 1985 mede-directeur van de nieuwe basisschool. Die rolverdeling was karakteristiek voor de meeste fuserende partners. De scheidslijn tussen voormalige kleuter- en lagere school verdeelt tegelijkertijd de mannen en vrouwen op de basisschool. En het verschil tussen die twee is niet onbetekenend.

Het uit zich bijvoorbeeld in het salaris. Henrichs: “Al waren de hoofden van beide scholen even oud, hadden ze hetzelfde aantal dienstjaren en vervulden ze exact dezelfde functie, toch verdiende de ex-kleuterhoofdleidster minder dan het ex-hoofd van de lagere school. Het geld kon mij niets schelen, maar het zegt iets over het aanzien van het beroep.”

Haar mannelijke collega werd ook serieuzer genomen als directeur dan zij. “De ouders gaan in de latere fase van de schoolloopbaan van hun kind toch meer opzien tegen "meneer de directeur'. Ik werd meer geassocieerd met de "onderkant'. En de bovenkant, daar was het toch allemaal om begonnen.”

In het streven de grenzen tussen wat sinds 1985 onderbouw en bovenbouw heet, te slechten, besloot de school dat leerkrachten in principe na vijf jaar van "bouw' zouden wisselen. “Het gekke was dat de kleuterleidsters zeer actieve verhuizers werden _ meestal naar de middenbouw _ maar dat de mannen zich verschansten in de bovenbouw.”

Het bestuursconflict op de school van Maas en Waal, benadrukt Henrichs, ging om zakelijke verschillen van inzicht, niet om een man-vrouw conflict. Haar collega's hadden wel degelijk vertrouwen in een vrouw als mede-directeur, anders waren ze er ook nooit mee akkoord gegaan dat zijn ten slotte de enige directeur werd, zegt ze.

Er zijn wel veel mannelijke leerkrachten vertrokken toen hun seksegenoot de directieburelen verliet. Nu heeft de school nog maar een mannelijke leerkracht. De school wordt nu door twee vrouwen bestierd. Henrichs: “We hebben gezocht naar een mannelijke adjunct. Maar het aanzien van het onderwijs is nog altijd dermate slecht dat het daarom vooral een vrouwenbaan is.”

    • Bas Blokker