Kritiek op uitvoering Europees milieubeleid

BRUSSEL, 23 SEPT. De uitvoering van het Europese milieubeleid gaat zo traag en er zijn zoveel tegenstrijdige effecten dat het enkele generaties kan duren eer er iets van terecht komt. Dit blijkt uit een kritisch rapport van het Europese Rekenhof dat vanochtend is gepubliceerd.

Het Rekenhof, de controlerende instantie van de EG, is na een onderzoek zo pessimistisch over het milieubeleid van de Twaalf dat het betwijfelt of het enig effect heeft. De interne samenwerking van de Commissie is gebrekkig en in een aantal gevallen subsidieert de Europese Commissie projecten die juist voor meer vervuiling zorgen. Vooral bij de besteding van de structuurfondsen, de speciale subsidies om de kloof tussen arme en rijke lidstaten te overbruggen, wordt nauwelijks gelet op de milieu-effecten.

Het Rekenhof controleerde de milieu-uitgaven van Brussel over 1991, een bedrag van ruim 2,2 miljard gulden. Op alle niveaus ontbreekt het aan coördinatie, waardoor de resultaten soms lachwekkend ver beneden de maat blijven. Zo bleek de afdeling Aquicultuur van de Commissie verschillende projecten voor de intensieve exploitatie van de visteelt in lagunes van de Middellandse Zee te subsidiëren. Tegelijkertijd trok het directoraat-generaal Milieu van de Commissie forse bedragen uit om milieu-organisaties dergelijke lagunes aan te laten kopen, zodat intensieve exploitatie ervan kon worden voorkomen.

Volgens het Rekenhof overleggen de verschillende directoraten van de Commissie zelden over projectsubsidies die gevolgen hebben voor het milieu. Van een gemeenschappelijke aanpak is vaak geen sprake. Dat verschijnsel zet zich voort in de lidstaten. Ook daar plegen de departementen van industrie en landbouw de collega's van volksgezondheid en milieu niet te vertellen wat ze van plan zijn.

De reikwijdte van het Brusselse milieuwetten blijkt bijzonder gering. “Er dreigt een steeds grotere kloof te ontstaan tussen de acties die nodig zijn voor de bescherming van de leefomgeving en de acties die daadwerkelijk worden uitgeoverd”. Meestal passen de lidstaten de EG-wetten niet op tijd toe. Komt het er wel van, dan gebeurt het vaak onvolledig. Naar het Hof van Justitie of de Commissie luisteren de lidstaten vaak niet. Het tempo waarin de ministers milieunormen vaststellen is uiterst traag. Zo blijken de Europese milieuministers al in 1976 een lijst met 130 gevaarlijke stoffen te hebben vastgesteld die alleen met vergunning mogen worden geloosd. In 1991 heeft de Commissie nog maar voor 21 van deze stoffen de grenswaarden te hebben vastgesteld.

Brussel moet ook niet zelden milieuschade herstellen die het zelf met subsidies tot stand heeft gebracht. In Griekenland subsidieerde de Gemeenschap de aanleg van een zeedijk, met daarop een weg en een bovengrondse elektriciteitsleiding. Later moest het directoraat Milieu geld geven om de schade door de dijkaanleg aan de watercirculatie te herstellen. De electriciteitsleiding moest gedeeltelijk worden geschrapt omdat het te gevaarlijk bleek voor de vogels.

In het Griekse Saloniki werd geld uitgetrokken om de havenbekkens uit te diepen. Over de drie miljoen kubieke meter sterk verontreinigde slib die daarbij vrij kwam was echter geen beslissing genomen. “Het vooruitzicht was dat het slib in de baai zou worden gestort, waarmee het zou bijdragen tot de verenietiging van de reeds ernstig aangetaste flora en fauna”. In Noord-Brabant subsidieerde de Commissie de bouw van een stalsysteem om dierlijke mest gedurende zes maanden te kunnen opslaan. Op die manier werd de boer echter in staat gesteld om zijn veestapel uit te breiden.