Kamer mag niet zomaar ratificeren

Het Verdrag van Maastricht is op sterven na dood. Het heeft te weinig steun om te leven en weer net iets te veel om te sterven. In Denemarken en Frankrijk was de uitslag van het referendum fifty-fifty. De Ieren, gepaaid met een flinke zak geld uit Brussel, stemden "ja', maar opinieonderzoeken in het Verenigd Koninkrijk wijzen op een meerderheid van de bevolking tegen "Maastricht'. In Duitsland is een meerderheid tegen het opgeven van de mark voor een ecu.

Alles wat in de afgelopen maanden is gebeurd, geeft aan dat "Maastricht' een doodlopende weg is. Een rustig voortgaan op die weg is zowel op politiek als op financieel-economisch gebied onmogelijk. Wat dat betreft doet het weldadig aan dat minister Kok om een herbezinning vraagt. Een herbezinning op de uitwerking van Maastricht is echter toch wat mager. Niet de uitwerking van Maastricht, maar Maastricht zelf dient ter discussie te staan.

Een "nee' tegen verdere Europese eenwording is niet langer een zaak van wat "achtergebleven' groeperingen. Grote delen van de bevolking van de lidstaten blijken zich te verzetten tegen de overdracht van meer bevoegdheden aan "Brussel'. In de vele motieven voor dat "nee' is een duidelijke rode draad zichtbaar: Brussel is bedreigend voor de eigen identiteit, Brussel is te ver van de burger weg, Brussel werkt vervreemdend.

Het is niet alleen het democratische tekort, waardoor de kiezers van de Europese politiek vervreemden. Het is vooral de psychologische afstand tot Brussel die de burger tegen Europa inneemt. Zelfs al zou het Europese Parlement volledige bevoegdheden krijgen, dan is het nog maar zeer de vraag of de burger er warm voor zal lopen. Immers, ook het Europese Parlement is één van de Brusselse instellingen, waarmee de burger zich niet verwant voelt. Het is zelfs de EG-instelling die het meest wil centraliseren en op Europees niveau wil regelen. Het opdringen van een Europees burgerschap als oplossing lijkt ook averechts te werken. De burger wordt geen Europees burger omdat politici zeggen dat hij dat moet zijn.

De vanzelfsprekendheid waarmee het Europese integratieproces in Nederland is aanvaard, begint te tanen. In vrijwel alle Kamerfracties beginnen vragen op te komen over de afnemende rol van de nationale parlementen. Zowel PvdA als VVD zijn er uiterst kritisch over gestemd dat Nederland waarschijnlijk in 1999 de monetaire bevoegdheden verliest. En terecht, welk parlement wil nu al afstand doen van zijn controlerende bevoegdheden over een essentiële beslissing die misschien pas over zes jaar valt?

De enige mogelijkheid om toch een eigen beoordelingsmoment voor het nationale parlement te verzekeren, is verdragswijziging. Andere wegen zijn er niet: de communautaire rechtsorde gaat nu eenmaal boven de nationale. Er bestaat volgens het Verdrag zelfs formeel de bizarre mogelijkheid dat een lidstaat eventueel tegen zijn zin gedwongen kan worden deel uit te maken van de derde fase van de EMU. Besluitvorming geschiedt immers slechts met gekwalificeerde meerderheid door de Europese Raad. Wanneer de Tweede Kamer op haar rechten blijft staan, dan kan het Verdrag niet ongeschonden het parlement passeren. Het is niet meer vanzelfsprekend dat in het nationale parlement alles wat de EG betreft voor zoete koek wordt geslikt.

Nu wegens Denemarken het Verdrag zal moeten worden aangepast, kan het punt van nationale democratische controle op de overgang van de derde fase van de EMU meteen worden geregeld. Als er toch gewijzigd wordt, dan is het beter om maar gelijk een geheel nieuw Verdrag te maken. Een Verdrag waarin de EG niet meer hooi op zijn vork neemt dan nodig is en waarin meer ruimte wordt geboden aan andere Europese staten om zich bij de EG aan te sluiten.