FNV laat uniforme looneis voor de hele industrie vallen

NUNSPEET, 23 SEPT. De Industriebond FNV gaat in zijn arbeidsvoorwaardenbeleid niet langer uit van een uniforme looneis voor de hele industrie. De onderlinge verschillen tussen deelsectoren en bedrijven nopen volgens de bond tot meer differentiatie in de loonvorming.

De bond baseerde zijn CAO-eisen jarenlang op het volgende rekensommetje. De verwachte inflatie (geschoond voor prijsverhogingen als gevolg van investeringen in "goede doelen') werd opgeteld bij de prognose voor de stijging van de arbeidsproduktiviteit. De som werd "loonruimte' of "onderhandelingsruimte' genoemd, die geheel werd geclaimd voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden, waaronder loonsverhoging. De afgelopen jaren werd bovenop de prijscompensatie steeds minstens de helft van de arbeidsproduktiviteitsstijging opgeëist voor reële loonsverhoging.

Dezelfde formule zou, toegepast op 1993, een looneis van ongeveer 5,65 procent opleveren: de som van de verwachte (geschoonde) inflatie (3,75 procent) en de helft van de verwachte stijging van de arbeidsproduktiviteit (eveneens 3,75 procent voor de "open sector').

Werkgevers hebben dit sommetje altijd scherp gekritiseerd als “onjuist en economisch gevaarlijk”. VNO-voorzitter dr. A.H.G. Rinnooy Kan sprak vorige week nog van “een totaal verkalkte” berekening.

De Industriebond FNV heeft zich vandaag in Nunspeet voorgenomen voortaan wat soepeler met de "loonruimte' om te gaan. “Dè arbeidsproductiviteitsstijging bestaat niet, ze verschilt van bedrijf tot bedrijf. Het is niet langer bruikbaar als afrekenmechanisme in de onderhandelingen”, zegt CAO-coördinator H. Krul. Bij gebrek aan een alternatief blijft de bond het sommetje nog wel maken. “Als een soort ezelsbruggetje, maar we gaan er niet meer rigide mee om. Het wordt een richtsnoer, zolang we niets beters hebben.”