De gouden zaken van het zilveruikartel

Morgen komen in Rotterdam zowat alle Nederlandse karteldeskundigen bijeen om te praten het "einde van het kartelparadijs'. Is er zoveel reden voor optimisme? Een voorbeeld uit de hardnekkige nationale praktijk: het kartel achter de handel in een potje zilveruien.

De atmosfeer was plechtig. Breda, 8 december 1980. Om de tafel zaten tien ondernemers. Jarenlang waren ze, als verwerkers van zilveruien, elkaars concurrenten geweest. Vanaf die dag zou dat anders zijn.

Gezamenlijk zetten de tien hun handtekening onder een twaalf A4-tjes tellend document: de "zilveruienteeltconventie'. De aanblik van een potje zilveruien in de schappen van de supermarkt zou er niet door veranderen. De ambiance daarachter wel: een vrije markt verdween.

Het kartel, een combinatie van marktverdeling en richtprijzen, werd in 1981 aangemeld bij het ministerie van economische zaken. Dat nam het, volgens de gebruiken van die tijd, zonder bezwaar op in zijn geheime kartelregister. Een ambtenaar maakte op 13 januari 1981 een begeleidende notitie. “De ruïneuze concurrentie als gevolg van overproduktie (...)”, schreef hij, heeft “het voortbestaan van de sector in groot gevaar gebracht, met alle sociale consequenties vandien. Dit heeft de fabrikanten gebracht tot deze produktieregeling, waarin naar hun oordeel de enige mogelijkheid gevonden kan worden om het aanbod aan de vraag aan te passen.”

Eenmaal gevormde kartels verdwijnen zelden. Dat geldt ook in dit geval. Het zilveruienkartel, zo weten diverse ingewijden, bestaat nog altijd, sterker, het verschaft de Nederlandse zilveruienbranche een schier onaantastbare positie. De markt zit dicht, de expertise is beschermd, de rendementen in de sector zijn hoog. ,Niemand begint er iets tegen”, zegt C. Bakker van de Agrarische Hogeschool in Delft, die het begin dit jaar onderzocht. “Ook de overheid niet. Ja, op papier misschien. Maar in de praktijk?”

Niettemin is het de ambitie van Economische Zaken dat de "zilveruienconventie', samen met de meeste andere kartels, de komende jaren verdwijnt. Na decennia van tolerantie tegenover marktbeschermende afspraken in het bedrijfsleven heeft staatssecretaris Van Rooy deze kabinetsperiode de strijd aangebonden met de hoge nationale karteldichtheid. Het Nederlandse "kartelparadijs' zou een dynamische ontwikkeling van de economie in de weg staan. Daarbij is er volgens Van Rooy een Europese noodzaak voor een straffer beleid. Volgens EG-recht zijn kartels verboden zodra ze de handel tussen EG-lidstaten beïnvloeden, en het Brusselse directoraat-generaal voor de mededinging treedt streng op tegen overtredingen.

Het nieuwe beleid van de staatssecretaris is in de politiek positief ontvangen, al moet het goeddeels nog in de praktijk worden gebracht. Desondanks overheerst het idee dat de typisch Nederlandse, op corporatistische leest geschoeide kartelcultuur haar beste tijd heeft gehad: in Rotterdam komt morgen een klein leger deskundigen en betrokkenen op de been om zich te buigen over de consequenties van "het einde van het (Nederlandse) kartelparadijs'.

De vraag is of het Haagse beleid de karteldichtheid zo abrupt zal beïnvloeden. Veel deskundigen wijzen erop dat de kartels, die in het naoorlogse Nederland bij honderden zijn gevormd, niet alleen een uiting zijn van een behoefte aan een status quo in marktverhoudingen. Het is, zeggen ze, vooral een cultuurverschijnsel: daartoe gestimuleerd door de overheid, is samenwerking tussen ondernemers de laatste decennia in Nederland een soort tweede natuur geworden. Diezelfde deskundigen stellen dan ook dat de kleine vijfhonderd kartels die Nederland op dit moment officieel kent, de werkelijkheid uiterst bescheiden in kaart brengen. “Er bestaat hier vrijwel geen vrij ondernemerschap meer”, zegt T. Jansen, een voormalig ambtenaar van Economische Zaken, die daar toegang had tot het kartelregister. “En ik verwacht niet dat de staatssecretaris daaraan veel kan doen.”

Jansen noemt het zilveruienkartel illustratief voor de fijnmazigheid van het Nederlandse kartelparadijs. “Als zo'n klein industrietje al zo'n gedetailleerd kartel opzet”, stelt hij, “zegt dat zeer veel over hoe de rest van de ondernemers denkt.”

Pag.18: Telers zilveruien gebonden aan kartel verwerkers

De tien belangrijkste ondernemingen die in Nederland zilveruien verwerken, domineren van oudsher de wereldmarkt. Globaal de helft van de totale wereldproduktie aan zilveruien (circa 1400 hectare) heeft in Nederland plaats; andere produktielanden zijn Italië, Israel, Duitsland en Sri Lanka. Officiële omzetcijfers bestaan niet; naar schatting genereren de Nederlandse verwerkers van zilveruien zo'n 25 à 35 miljoen gulden per jaar. De rendementen zijn zeer interessant. De verwerking van één hectare zilveruien tot voor de consument bestemde potjes kost hooguit 20.000 gulden, de opbrengst is niet zelden het dubbele. Bij een vrije werking van de markt zou in ieder geval de consument goedkoper uit zijn. Bakker van de Agrarische Hogeschool: “Er wordt gigantisch op verdiend”.

Toen de tien bedrijven (onder meer Uyttewaal uit Ter Aar, Polderman uit Sint Maartensdijk en Spyer, Van der Vijver & Zwanenburg uit Etten-Leur) zich eind 1980 aan het kartel bonden, maakten ze zeer precieze afspraken. Op de vierkante meter nauwkeurig werd vastgelegd op hoeveel grond iedere ondernemer het komende jaar zilveruien zou telen. Daarmee werd de produktie gebonden aan een plafond van, op dat moment, een kleine negenhonderd hectare. Ook werden (niet bindende) prijsafspraken gemaakt. Tegelijk werden kartelverstorende invloeden weggenomen: het werd de deelnemers verboden zilveruien in het buitenland te kopen. Twee ondernemingen die al importeerden voordat het kartel was gevormd, werden daarvan uitgezonderd. En er werd een commissie gevormd die nakoming van de kartelovereenkomst moest controleren - de maximale boete op overtreding werd bepaald op twee ton. Volgens "artikel 6' van het commissiereglement - een bijlage van het kartelcontract - verbonden “de leden van de commissie” zich “ten aanzien van (...) gehouden besprekingen tot geheimhouding (...)”.

Centrale figuur in het kartel was mr. F.H.J. van de Wetering, als secretaris van de Vereniging van de Nederlandse Groenten- en Fruitverwerkende Industrie (VIGEF) inmiddels opgevolgd door mr. A.J.C.M. Herijgers. De laatste wijst erop dat de “produktiebeperkende afspraken” niet alleen bij Economische Zaken zijn aangemeld, maar ook bij de Europese Commissie in Brussel. “Daar zijn ze goedgekeurd, maar de verwerking van de uien in potjes hoort daar niet toe.”

Het kartel zou de jaren na zijn oprichting tot volle bloei komen: de betrokken ondernemingen beperkten de produktie naar gelang de markt verzadigd raakte. Begin jaren tachtig piekte de teelt naar zo'n duizend hectare, in 1988 werd een voorlopig dieptepunt met 600 hectare bereikt - vervolgens zette opnieuw groei in. Het voor de ondernemers gunstige effect van het kartel is dat een lagere omzet de winst per hectare niet aantast. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat derden de markt niet bederven. Ook daar is wat op gevonden.

Vrijwel de complete Nederlandse zilveruienteelt - die zich concentreert in Flevoland, Zeeland en Zuid-Holland - is op basis van contracten met individuele landbouwers in handen van de aan het kartel gebonden ondernemingen. Zo'n onderneming huurt (voor 2.500 à 3.000 gulden per hectare) grond van een landbouwer. In de meeste gevallen neemt de betrokken onderneming zelf de teelt ter hand, soms wordt deze uitbesteed aan de landbouwer. Cruciaal is dat de verwerkers langs deze weg de omvang van de produktie in de hand houden.

De druk op het kartel neemt de laatste jaren toe. Onder invloed van de hervormingen die Europees landbouwcommissaris MacSharry doorvoert, en wegens de gunstige rendementen, krijgen steeds meer landbouwers belangstelling voor de zilveruienteelt. Met name in Flevoland probeerde een aantal landbouwers de laatste jaren zich een positie op de markt te verwerven. Dat bleek echter moeilijk.

Een eerste probleem doemt al op wanneer een landbouwer het benodigde zaad poogt te verkrijgen. “Dat is nauwelijks mogelijk”, zegt Bakker van de Agrarische Hogeschool Delft. “De verkoop van het zaad wordt gedomineerd door de industrie, het is heel moeilijk om daar tussen te komen”. Maar ook als dat wel lukt, dan nog heeft de buiten het kartel werkende zilveruienteler een geringe kans op afzet: de kartelafspraken verbieden de deelnemende ondernemers dergelijke partijen uien af te nemen. “Het is een vrijwel onaantastbaar kartel”, zegt Bakker. “Dit jaar is een beperking van de produktie met 30 procent doorgevoerd, ondanks de groeiende belangstelling van boeren voor de teelt.”

Alleen een kapitaalkrachtige teler zou het kartel wellicht in gevaar kunnen brengen. Maar ook dan zijn de mogelijkheden beperkt. “Ze laten de prijzen gerust een paar jaar door de bodem zakken”, vertelt Bakker. “Dat kost zo'n nieuwkomer handenvol geld. Het is zeer de vraag of zo iemand zoveel kapitaal over heeft om zich een plaatsje op zo'n kleine markt te bevechten. Bovendien is het wel duidelijk dat de markt nauwelijks nog kan groeien.”

Toch is er, althans formeel, een gevaar. De Brusselse sanctionering van het kartel kan nietig worden als staatssecretaris Van Rooy haar beleid doorzet om kartels van dit soort - marktverdeling - nog deze kabinetsperiode verbieden. De verwerkers kennen het probleem, maar laten zich er niet over uit. A. Verwijs van de Firma André Verwijs in Sint Philipsland: “Of ons kartel gevaar loopt? Ik zeg er geen ja en geen nee op. Ik zeg niets.”

Herijgers, spil van VIGEF, ziet “mogelijk” een probleem ontstaan. “We zullen bij EZ moeten aankloppen. Als men ons kartel afkeurt, houdt het op. Dan zou dezelfde dramatische toestand kunnen ontstaan als voor 1980: een overaanbod, prijsbederf - met wellicht het verdwijnen van de hele sector als consequentie.” Maar Herijgers vermoedt dat het zover niet komt. “Ik ben optmistisch. Ik ga ervan uit dat we een oplossing vinden.”

Oud-EZ-ambtenaar Jansen: “De maatregel van de staatssecretaris is in dit geval natuurlijk gemakkelijk te ontlopen. Dit kartel draait op de contracten tussen de boeren en de verwerkers. Dergelijke contracten kun je niet verbieden. Ik denk dus niet dat de grondgedachte van dit kartel door het beleid wordt aangetast.”

En dat, zegt hij, raakt aan de kern van de Nederlandse ondernemerscultuur. “Je kunt wel kartels verbieden, maar als bedrijven per se willen samenwerken om bepaalde zekerheden te behouden, om markten in stand te houden, doet de overheid daar heel weinig tegen.”