Betrekkingen met Indonesië op nieuwe leest geschoeid

JAKARTA, 23 SEPT. Het bezoek van minister Ritzen aan Indonesië, dat vorige week bijna ongemerkt begon en morgen wordt besloten, heeft tot een doorbraak geleid in de betrekkingen tussen beide landen. De contacten op het gebied van onderwijs en wetenschap zijn niet van een wisse dood gered, maar beleefden een wedergeboorte. De formule die voor dit beleidsterrein gevonden is - samenwerking "op voet van gelijkheid' en "tot wederzijds voordeel' - breekt met de naoorlogse traditie, die hulp aan Indonesië vooropstelde.

Voor zover er binnen de betrokken departementen in Jakarta nog reserves bestonden, die voortvloeiden uit het besluit van president Soeharto op 25 maart om de hulprelatie met Nederland te verbreken, werden die al meteen op vrijdagmorgen, de eerste ochtend van het bezoek, weggenomen tijdens het onderhoud tussen de president en minister Ritzen. De ondubbelzinnige manier waarop Soeharto zijn zegen gaf aan “voortzetting en verdieping” van de betrekkingen op alle andere terreinen dan ontwikkelingssamenwerking, gaf zijn bewindslieden min of meer de vrije hand.

De door Ritzen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een tweetal documenten. Het ene document betreft samenwerking bij wetenschappelijk onderzoek op het gebied van luchtvaarttechnologie, biotechnologie en milieu. De andere overeenkomst, over samenwerking in onderwijs en onderzoek, moet de komende maanden nader worden uitgewerkt. In dit stuk staat de nieuwe grondslag van de samenwerking verwoord: "op voet van gelijkheid' en "tot wederzijds voordeel'. Met andere woorden: de samenwerking mag geen elementen van eenzijdige hulp bevatten.

Veel bestaande universitaire samenwerkingsprojecten werden tot de Indonesische hulpweigering op 25 maart gefinancierd door het department van minister Pronk. Ritzen heeft dezer dagen de politieke bereidheid uitgesproken voor vervangende financiering te zorgen binnen zijn eigen begroting. Bestaande en nieuwe projecten zullen tegen het licht worden gehouden; als zij in Haagse ogen "eenzijdige hulpelementen' bevatten, moeten ze worden aangepast, willen ze in aanmerking komen voor een bijdrage van Onderwijs en Wetenschappen.

Volgens met de minister meereizende ambtenaren behelzen de nieuwe afspraken een ingrijpende herbezinning op de bilaterale verhouding. Een ambtenaar: “Wij wilden het Indonesische besluit van 25 maart respecteren en niet proberen om projecten die uitsluitend ten voordele van Indonesië zijn, opleidingen voor hun mensen en wetenschapsontwikkeling aldaar, voort te zetten. Toen stonden we voor de vraag: is er een Nederlands belang gediend bij samenwerking met Indonesië? Welnu, dat is zo. Nederland en Indonesië zijn, als gevolg van de oude banden, voor elkaar als het ware poorten tot een wijdere omgeving. Voor Indonesië is het van belang om via Nederland meer zicht te krijgen op Europa; voor Nederland is het van grote betekenis om nauw betrokken te zijn bij ontwikkelingen in dat dynamische Zuidoost-Azië. Wetenschappelijke samenwerking op die basis maakt gebruik van de historische erfenis, maar mikt op de toekomst.”