Aantal WAO'ers groeit nog steeds, maar wel langzamer

DEN HAAG, 23 SEPT. Is er nog steeds, net als in de zomer van 1991, sprake van “zeer bijzondere omstandigheden” die een bevriezing van huidige WAO-uitkeringen rechtvaardigen? De Raad van State vindt van wel, aldus het advies bij het Wetsvoorstel Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen dat het kabinet gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De vice-fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer F. Leijnse vindt van niet. Wie heeft gelijk?

Sinds Leijnse op de Dag van de Arbeid, 1 mei 1992, betoogde dat niet alleen arbeidsongeschikten ouder dan vijftig jaar, maar ook de jongeren moesten worden ontzien, verschillen PvdA en CDA op dit punt van mening. PvdA-staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) hield echter vooralsnog voet bij stuk.

Vooralsnog, want met de PvdA is een Kamermeerderheid (Groen Links en D66, maar ook de VVD) tegen bevriezing. De kans dat het kabinet in de Kamer bakzeil moet halen is dus vrij reëel. Gelukkig - voor Ter Veld - kost het niet doorgaan van de bevriezing het eerste jaar helemaal niets: alle wao'ers genieten dan van een overgangsperiode (oplopend van 1 jaar voor wie jonger is dan 32; tot 3 jaar voor 48-plussers) waarin de uitkering onaangetast blijft op 70 procent van het laatst verdiende loon.

Als de nieuwe wet ondanks alles toch op 1 januari 1993 ingaat lopen de kosten van niet-bevriezen na een jaar wel degelijk op: 50 miljoen gulden in 1994, 230 miljoen in 1995, 550 miljoen in 1997 en na het jaar 2000 zelfs meer dan een miljard gulden. Maar, zal Ter Veld ongetwijfeld redeneren, dan is er ook een nieuw regeerakkoord, dus dat zijn zorgen voor morgen. Ter vergelijking: het kabinet schat de structurele opbrengst van alle WAO-maatregelen tezamen op ruim zes miljard gulden.

Het zwaarste argument tegen de bevriezing is dat de huidige arbeidsongeschikten nooit de kans hebben gekregen zich bij te verzekeren. Zij waanden zich immers goed verzekerd, via AAW en WAO. De staatssecretaris brengt daar een zwaarwegend argument tegenin: kun je tot in lengte van dagen onderscheid blijven maken tussen mensen die vóór en die na 1 januari 1993 arbeidsongeschikt werden? Kun je blijven meten met twee maten? En bovendien: is de AAW/WAO in de praktijk niet gebaseerd op het omslagstelsel, zodat de huidige werkenden betalen voor de huidige arbeidsongeschikten? Van een opbouw van rechten was in ieder geval tot dusver geen sprake: dat wordt pas zo als de nieuwe wet in werking treedt en de uitkering hoger wordt naarmate men langer heeft gewerkt, c.q. ouder is.

Hoe zit het nu met de “zeer bijzondere omstandigheden”? Het ijkpunt voor het kabinet is, vanzelfsprekend, het regeerakkoord van najaar 1989. Daarin stond dat het aantal arbeidsongeschikten “zo snel mogelijk niet meer mocht toenemen”. Overleg met werkgevers en werknemers resulteerde in het najaar van 1990 in een "gemeenschappelijke verklaring' die stelde dat de eerste gunstige effecten van het beleid al in 1991 zichtbaar moesten worden. In de Tussenbalans van februari 1991 preciseerde het kabinet zijn taakstelling: het beroep op de AAW/WAO moest uiterlijk in 1994 met 70.000 uitkeringsjaren zijn verminderd tot het niveau van 1989 (758.000 uitkeringsjaren). Aan de Sociaal-economische Raad werd gevraagd hoe dat moest gebeuren.

Toen ging het mis. Het aantal nieuwe AAW/WAO-uitkeringen steeg in het eerste halfjaar met bijna 60.000 en lag daarmee ruim 5.000 boven het aantal nieuwe uitkeringen in de eerste helft van 1990. Weliswaar ging ook het aantal beëindigde uitkeringen omhoog maar per saldo steeg het aantal van de AAW/WAO-uitkeringen fors, en sneller dan in 1990. Na 1985 was de groei van aantal AAW/WAO'ers, de stelselherziening ten spijt, alleen maar toegenomen.

Staatssecretaris Ter Veld schreef in mei 1991 een brief aan de Ser waarin ze de taakstelling ophoogde tot 125.000 uitkeringsjaren. De Ser besloot dat "volumebeleid' (strengere toegangscriteria en dergelijke) niet langer volstond; de hoogte van de uitkeringen kon niet langer onaangetast blijven. Na het nodige geharrewar koos het kabinet in augustus eveneens voor die koers. Een drastische stap, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs nog eens aantoonde. Immers, de hoogte van de WAO-uitkering is in Nederland, sinds de uitkeringspercentages in 1985 werden verlaagd van 80 naar 70 procent, vergeleken met het omringende buitenland niet hoger, maar iets lager. De schoen wringt bij de toelatingscriteria: in Nederland dekt de AAW/WAO niet alleen beroepsgebonden risico's, maar alle kwalen en ziektes.

Sinds de zomer van 1991 is er echter wat de “bijzondere omstandigheden” betreft veel veranderd. Het aantal nieuwe WAO'ers daalt gestaag, het aantal beëindigde uitkeringen stijgt daarentegen, en per saldo is de groei van het aantal WAO'ers fors afgenomen.

Enkele cijfers, afkomstig van de Sociale Verzekeringsraad, ter illustratie. In de eerste helft van 1991 bedroeg het aantal nieuwe uitkeringen 59.500; in de tweede helft van 1991 bedroeg dat aantal 56.400 en in de eerste helft van 1992 53.000. Het aantal beëindigde uitkeringen daarentegen steeg van 43.500 via 43.700 tot 46.000 (in deze cijfers is geen rekening gehouden met incidentele factoren, zoals een wetswijziging per 1 juli 1991; wel is rekening gehouden met een "inhaalslag' bij de keuring van ambtenaren die na 1 maart 1992 een achterstand opliepen). Het aantal WAO-uitkeringen bleef dus stijgen, maar de groei nam fors af: 16.000 in de eerste helft van 1991, 12.600 in het tweede halfjaar, en 7.100 in de eerste helft van 1992.

Maar er is meer. Steeds vaker worden nieuwe AAW/WAO'ers niet volledig maar gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Omrekening tot volledig arbeidsongeschikten laat zien dat de groei van het volume in de eerste helft van 1991 uitkwam op 11.300, in de tweede jaarhelft op 7.500 en in de eerste helft van 1991 nog slechts 2.000 bedroeg.

Nu is er over deze cijfers wat statistisch geharrewar ontstaan. Het kabinet rekent in "uitkeringsjaren'. Dat wil zeggen dat over een heel jaar hele en halve (gedeeltelijke) uitkeringen worden samengeteld. Die maatstaf is echter niet in staat om veranderingen halverwege het jaar adequaat te meten. De Sociale Verzekeringsraad hanteert daarom als maatstaf de "herleide arbeidsongeschikten', waarmee de veranderingen van maand tot maand wèl goed geregistreerd kunnen worden. Met als gevolg dat Nederland volgens het kabinet vooralsnog nog ver verwijderd is van een stabilisering van het beroep op de AAW/WAO, terwijl we daar volgens de SVR vlakbij zitten.

Interessant is in ieder geval dat het aantal mensen met een volledige AAW/WAO-uitkering in de eerste helft van 1992 voor het eerst is gedaald, in het bijzonder bij mannen. Niet minder opmerkelijk is dat in de eerste helft van 1992 het aantal nieuwe AAW/WAO'ers (7.100) voor de overgrote meerderheid (5.900) uit vrouwen bestaat.

Resteert de vraag waarom de groei van het aantal AAW/WAO'ers afneemt. Zijn de keuringsartsen bij de Gemeenschappelijke Medische Dienst strenger dan vroeger, of is de begeleiding naar de arbeidsmarkt beter (zodat mensen in deeltijd werken)? Deskundigen bij de GMD en de Sociale Verzekeringsraad sluiten niet uit dat de kabinetsplannen de burger en de uitvoeringsinstanties schrik hebben aangejaagd, en hun schaduwen vooruit hebben geworpen. Eén ding staat vast: het aantal mensen met een uitkering stijgt nog steeds.

    • Kees Calje