Universiteiten lichten student op met doctoraalbul

Universitaire medewerkers hebben zich jaren koest gehouden, zegt Marc Chavannes in NRC Handelsblad van 9 september. Dat is enigszins waar voor zover het openbaarheid betreft, maar academici hebben zich binnen de universiteiten wel degelijk verzet. Zij deden dit op het gebied van het leerstoelenbeleid, waar inhoudelijke kwaliteit nog formeel van invloed is en dat als laatste bastion van de academische waarden nog niet is vernietigd in de "kantoorpolitieke uitputtingsslagen'. In de beschrijving van de leeropdrachten ligt nog steeds de essentie van de opdracht van de universiteiten.

Overigens wordt dit beleid wel ondermijnd door het benoemingsbeleid, waarbij managerskwaliteiten van de nieuwe hoogleraar inmiddels vaak belangrijker zijn geworden dan onderzoeks- en onderwijskwaliteiten.

Bij de "kantoorpolitieke uitputtingsslagen' was een steeds sterker wordende tweedeling binnen de wetenschappelijke staf en studenten te constateren: tussen degenen die zich bekwaamden in het hanteren van de bureaucratische mythen en zich lieten verleiden tot een gevecht binnen de arena van de bureaucratie en degenen die weigerden hieraan mee te doen.

Omdat de strijd zich wat de wetenschappelijke staf betreft voortdurend afspeelde onder de al dan niet openlijke bedreiging van ontslag speelden zich zeer vreemde taferelen af. Iedere herprogrammering bleek een bezuinigingsoperatie voor de faculteit, terwijl het Bureau moest groeien om één en ander uit te kunnen voeren. Zo is aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen van 1972 tot 1990 het Bureau gegroeid van één academisch gevormde ambtenaar naar meer dan vijftig. De bezuinigings- danwel herprogrammeringsoperaties in de periode van 1983 tot 1986 leverde landelijk een inkrimping van negenhonderd facultaire plaatsen bij de wetenschappelijke staf en een groei van tweeduizend academisch gevormde beleidsambtenaren. Het waren dus wel herprogrammeringen, maar geen bezuinigingen.

In ieder geval moesten diegenen die weigerden te vechten in de arena van de bureaucratie, het afleggen wat betreft hun invloed op het beheer van de zogenaamde eerste geldstroom. De overigen ondergingen duidelijk een proces van "identificatie met de agressor' en hanteerden vaak op indrukwekkende wijze de bureaucratische mythevorming, maar moesten daarvoor hun identiteit als wetenschapper, die onder meer de noeste arbeid van ontmythologiseren inhoudt, opgeven. Zij moeten daarmee dus in conflict gekomen zijn met hun leeropdracht. Dat “identiteitscrisis”, “een precaire en verwarde situatie”, en “wetenschapsbeoefening als supermarkt van kennis zonder diepgang” dreigen, is al tien jaar geleden voorspeld. Diegenen die dat voorzagen zijn, voor zover ze zich dat konden permitteren, dan ook vertrokken.

De studenten werden meer en meer monddood gemaakt. Enerzijds door een veel strakker studieprogramma, anderzijds door intimidatie. De laatste poging van de studenten in Wageningen om buiten de formele mogelijkheden om in contact te komen met het College van Bestuur, is geweest in 1987 na het uitbrengen van een nota waarvan de inhoud haaks stond op alle afspraken van de afgelopen decennia en die kan worden beschouwd als een ronduit kwaadaardige mythe. Zowel docenten als studenten hebben zeer verontrust op deze nota gereageerd. Dit werd genegeerd en toen de studenten hun verontrusting direct wilden overbrengen aan de voorzitter van het College van Bestuur en hem daartoe uitnodigden bij de ingang van het Bestuursgebouw, heeft hij zonder enige communicatie met de studenten de ME gebeld en zijn de studenten met geweld weggestuurd. Na dat incident had de bureaucratie de touwtjes definitief in handen.

De inhoudelijke gevolgen hiervan zijn nog niet te overzien, de kantoorpolitieke enigszins. Voor de wetenschapsbeoefening is een controleapparaat gecreëerd, bestaande uit ambtenaren en wetenschappers, waarvan de tijd voor controle de tijd voor wetenschapsbeoefening waarschijnlijk evenaart of overtreft. Het afschaffen hiervan zou altijd winst betekenen, ook al zou de helft van het onderzoek onder de maat zijn, als dat al te meten is.

De externe geldstroom, die de inhoud van het onderzoek in sterke mate moet benvloeden is in Wageningen drastisch gestegen. In Wageningen evenaart de derde geldstroom met meer dan 70 miljoen gulden waarschijnlijk de eerste, wat betreft de financiering van het onderzoek. Hier heeft de wetenschappelijke staf, die weigerde zich nog langer veel gelegen te laten liggen aan de verambtelijking en inspiratievernietiging, mogelijkheden gevonden om min of meer rustig te blijven werken. Daarbij bepalen waarschijnlijk de externe financiers de interne in hoge mate. Wat de gevolgen van die verbouwing precies zijn, weet niemand meer en interesseert nauwelijks nog iemand. Sommige vakgroepen zijn getransformeerd in ingenieursbureaus, waarbij collega's elkaar "inverdienen' met onderzoeksopdrachten, die weinig met de leeropdracht te maken hoeven te hebben.

Het wegvallen van de tweede fase na vaststelling van de eerste fase heeft tot gevolg gehad, dat hele vakgebieden of vitale delen van vakgebieden zonder enig overleg uit het onderwijs zijn verdwenen. Niemand weet precies welke dat zijn, of wat daarvan de gevolgen zijn.

De “supermarkt van kennis zonder diepgang”, die de eerste fase kenmerkt, betekent een vorm van onderwijs die een hommage is aan de verambtelijking en inspiratievernietiging en men kan zich afvragen in hoeverre de universiteiten hun studenten in feite oplichten met het verlenen van een doctorandustitel waarvan de eisen wel degelijk in de Wet voor het Hoger Onderwijs beschreven staan.

Het bedroevende dal waarin de universiteiten zich bevinden, wordt nu eindelijk vastgesteld. De vraag is wat de mogelijkheden zijn om hier weer uit te komen.

Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is revalidatie van de bestaande universiteiten. De tweede is verder afkalven van de bestaande universiteiten en creëren van nieuwe instituten die de verantwoordelijkheden van de bestaande universiteiten overnemen. Een proces, dat waarschijnlijk al in gang is gezet. Maar dit kan dan verder met open vizier gebeuren, zodat de betrokkenen weten waar ze aan toe zijn.