Scholen krijgen geld voor vernieuwingen

DEN HAAG, 22 SEPT. De instellingen die scholen in het basis- en voortgezet onderwijs bijstaan in het begeleiden van moeilijk lerende kinderen of het maken van een schoolwerkplan zullen in de toekomst moeten concurreren, zowel onderling als met andere aanbieders.

Dit schrijft het kabinet in een reactie op het rapport dat de wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) vorig jaar maakte over de "onderwijsverzorging'. In 1995 loopt de wet af op grond waarvan onder meer 64 schoolbegeleidingsdiensten voor het basisonderwijs, drie landelijke pedagogische centra en het Cito nu nog hun volledige budget betaald krijgen door de overheid.

Volgens het kabinet moeten in de toekomst niet de instellingen het geld voor nascholing, begeleiding en vernieuwingsprojecten krijgen, maar zal het geld naar de scholen zelf gaan, die dat dan naar eigen goeddunken bij de bestaande instellingen of bij commerciële instituten kunnen besteden.

Het kabinet meent echter dat veel scholen, vooral in het basisonderwijs, nog te klein en te weinig ervaren zijn om al in 1995 zelfstandig te kunnen kiezen uit het aanbod van schoolbegeleiding en -vernieuwing. Ook hebben de huidige onderwijsverzorgingsinstellingen tijd nodig om zich aan de nieuwe, marktgerichte situatie aan te passen.

Daarom stelt het kabinet een overgangsregeling voor waarbij het rijksbudget voor onderwijsverzorging deels aan de instellingen, deels aan de scholen zal worden gegeven. Voor de schoolbegeleidingsdiensten voor het basisonderwijs zal die overgangsperiode duren van 1995 tot 1999. Na 1995 zullen ook de gemeenten, die voor ongeveer de helft meebetalen aan de kosten van deze diensten, meer zeggenschap krijgen over de verdeling van hun geld. Ook een deel van dit gemeentelijke budget kan dan direct naar de basisscholen gaan. Voor de landelijke pedagogische centra zal de overgangsperiode duren van 1995 tot 1997.

Hoewel het kabinet meer eigen verantwoordelijkheid van scholen voor de kwalititeit en vernieuwing van het onderwijs wil nastreven, vindt het de opvatting van de WRR dat de overheid zich moet beperken tot wetgeving en het verstrekken van middelen voor innovatie “te eenzijdig”.

Het kabinet wil in de toekomst ook los van de wetgeving eigen initiatieven ter vernieuwing van het onderwijs kunnen blijven nemen.