Publikaties van sociologen vaker in Engels

AMSTERDAM, 22 SEPT. Nederlandse sociologen publiceren steeds meer in buitenlandse talen. Tussen vakgeroepen bestaan geen significante verschillen in produktiviteit. De verschillen binnen vakgroepen zijn veel belangrijker.

Dit blijkt uit een onderzoek naar internationalisering van de Nederlandse sociologie, dat in opdracht van het ministerie van onderwijs en wetenschappen is verricht. De resultaten worden deze week aan het ministerie aangeboden.

Aan de hand van de wetenschappelijke jaarverslagen van de universiteiten legden de auteurs van het rapport - R. Hagendijk, H. Schaapman en A. Prins, verbonden aan de vakgroep wetenschapsdynamica van de Universiteit van Amsterdam - een bestand aan van alle publikaties tussen 1980 en 1990 van medewerkers van de sociologische vakgroepen van Nederlandse universiteiten. In totaal waren dat circa 11.500 publikaties. Daarnaast hielden ze een enquête onder auteurs en een beperkt aantal interviews.

Tot en met 1988 verscheen zo'n 20 procent van de publikaties van Nederlandse academische sociologen in een buitenlandse taal, daarna steeg dit percentage tot ruim 25 in 1990. Als het gaat om proefschriften, boeken, rapporten, bijdragen aan bundels en wetenschappelijke artikelen, dan bedraagt het percentage buitenlandstalige publikaties in 1990 zelfs ruim 35, tegen circa 20 tien jaar eerder. Engels is dominant, maar van de buitenlandstalige publikaties verschijnt nog altijd een procent of twintig in een andere taal.

Uit het voorbeeld blijkt dat het niet gemakkelijk is om iets te weten te komen over de internationale "zichtbaarheid' van Nederlandse sociologen. De wetenschappelijke jaarverslagen van de universiteiten, waar als het goed is alle publikaties van hun medewerkers in staan vermeld, vertonen geen consistente indeling in typen publikaties. Zo maakt men onderscheid tussen "wetenschappelijke publikaties' en "vakpublikaties', maar de ene universiteit bakent die categorieën anders af dan de andere.

Een handicap bij het verzamelen van informatie over publiceergedrag is dat de wetenschappelijke jaarverslagen alleen in druk beschikbaar zijn. Dat betekent dat de onderzoekers in dit geval die ruim 11.000 artikelen zelf moesten invoeren in een bestand. Dit soort onderzoek zou veel gemakkelijker zijn wanneer universiteiten de gegevens in elektronische vorm zouden aanleveren.

Ook in de mate waarin het werk van Nederlandse sociologen wordt geciteerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften blijkt vakgroep of universiteit geen rol van betekenis te spelen. De onderzoekers uiten kritiek op de volgens hen klakkeloze manier waarop verkenningscommissies - die de kracht en zwakte van een bepaalde discipline aan de Nederlandse universiteiten moeten vaststellen in opdracht van het ministerie van onderwijs en wetenschappen - omspringen met gemiddelde aantallen publikaties en citaties per vakgroep, zonder zich af te vragen of de verschillen die men dan vindt wel statistisch significant zijn. Internationaal publiceren en geciteerd worden blijkt vooral samen te hangen met het hebben van een internationaal netwerk van collega-onderzoekers en het veelvuldig bezoeken van internationale congressen.