Prinses Diana levert Duitse Mercedes in

LONDEN, 22 SEPT. De bekoeling in de Brits-Duitse relaties naar aanleiding van de valutacrisis eist overal zijn tol en dus ook in Kensington Palace. Prinses Diana heeft, zo is vandaag bekend geworden, haar “geliefde” Mercedes sportwagen ingeleverd. Ze zal voortaan weer gebruik maken van auto's uit het wagenpark van het hof, Ford Sierra's of Vauxhall Senators, weinig glamoureus, maar wel van Britse makelij.

De Britse tabloidpers zoekt wanhopig naar een populaire aanpak van zo'n gecompliceerd onderwerp als de financiëel-economische ontwikkelingen van de laatste week. Ze heeft er nu in de Mercedes van de Prinses van Wales een gevonden.

The Sun draagt haar eigen steentje bij door zelf een referendum over het Verdrag van Maastricht voor lezers te organiseren via een ja- en een nee-telefoonlijn. De krant voert campagne voor een referendum, een optie waartegen de regering-Major zich met hand en tand verzet.

De beslissing van de Prinses van Wales om haar (lease)auto terug te geven aan de Mercedesdealer, heeft volgens een woordvoerder van Buckingham Palace te maken met het feit dat de prinses zich bewust is van de recessie. “Ze trekt de buikriem een beetje aan, net als de meeste mensen. De recessie treft haar net zo goed.” Maar de regeringsgezinde Daily Mail weet beter en citeert “politieke bronnen” voor haar stelling, dat de stap te maken heeft met “het diepste dal in Brits-Duitse betrekkingen in twintig jaar.”

Prinses Diana kreeg ten tijde van de aanschaf van de Mercedes, begin dit jaar, een golf van kritiek over zich uitgestort. De Britse autoindustrie, de vakbonden en sommige Lagerhuisleden schreeuwden moord en brand over gebrek aan solidariteit en de populaire pers wond zich op over de lease-prijs: 1500 pond (toen nog: ruim 5000 gulden) per maand. De Duitse pers, met graagte geciteerd in Engeland als het om nationale gevoeligheid gaat, deed er nog eens een schepje bovenop door te pochen op “onze magnifieke autoindustrie”.

Buckingham Palace ontkent dat er druk op de prinses is uitgeoefend om de auto in te ruilen. De Britse Fordfabrieken verwelkomden het gebaar, ook al moesten ze toegeven dat de Granada's in de koninklijke autostallen weliswaar Ford heten, maar in Duitsland zijn gemaakt.