Paars tarief

Tussen 1988 en 1990 zijn de inkomensverschillen in Nederland verder toegenomen.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek baseert deze slotsom op gegevens van de belastingdienst. Het gaat om de werkelijk (wit) verdiende inkomens die huishoudens na belastingheffing hebben te besteden, en niet om minder betrouwbare uitkomsten van koopkrachtoverzichten. Wie de veranderingen in de personele inkomensverdeling over een langere periode beziet, komt tot de nogal verrassende conclusie dat de wisselende politieke kleur van achtereenvolgende kabinetten weinig sporen heeft nagelaten. In jaren dat de christelijke partijen samen met de VVD regeerden, is er vaak fors genivelleerd. Na enkele decennia van slinkende inkomensongelijkheid groeien de inkomensverschillen weer sinds het midden van de jaren tachtig. De regeringsdeelname van de PvdA vanaf 1989 betekende geen keerpunt.

Inkomensverschillen ontstaan door de ongelijke verdeling van vermogen (huizen en grond, spaargeld, aandelenbezit) en doordat de arbeidsbeloning van werknemers nogal uiteenloopt. Daarnaast beïnvloedt de overheid de inkomensverdeling door het stelsel van sociale zekerheid en via de belastingheffing. De sinds een decennium weer toenemende ongelijkheid is voor een deel verklaarbaar, aangezien de uitkeringen al jaren achterblijven bij de bruto CAO-lonen. Met ingang van 1990 is de progressie van de inkomstenbelasting afgezwakt door de verlaging van het toptarief van 72 naar 60 procent.

De Oort-operatie bracht het tarief van de eerste schijf op 35 procent (13 procent belasting, plus 22 procent premie voor de volksverzekeringen, waarvan AOW en AWBZ de belangrijkste zijn). De afgelopen drie jaar is dit basistarief gestegen van 35 tot 38,55 procent. Deze lastenverzwaring is uitsluitend het gevolg van hogere premies voor de volksverzekeringen. Naarmate het basispercentage oploopt, bij een gelijkblijvend toptarief, vermindert de progressie van de heffingen over het inkomen: de inkomens na belastingheffing komen verder uit elkaar te liggen.

Vroeger vormden de mate waarin uitkeringen omhooggingen en de gewenste progressie van het inkomstenbelastingtarief stenen des aanstoots tussen PvdA en VVD. Daarin lijkt verandering te komen. Liberalen en sociaal-democraten raken mogelijk verzoend met een "paars' tarief voor de heffingen over het inkomen, als basis voor toekomstige politieke coalitievorming. Ten gevolge van de geleidelijke vergrijzing van de bevolking stijgt de AOW-premie, vooral vanaf het jaar 2011 wanneer de naoorlogse geboortegolf met pensioen gaat. Blijft de AOW-uitkering in de pas met de gemiddeld verdiende lonen, dan stuwt dit de AOW-premie (nu: 14,35 procent) op tot ongeveer twintig procent in het jaar 2015.

Bejaarden verbruiken thans de helft van de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening. De vergrijzing zal ook de kosten van de gezondheidszorg sterk doen stijgen. Bij de herziening van het stelsel van ziektekostenverzekeringen wordt de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) stapsgewijs uitgebreid tot een basisverzekering tegen ziektekosten. Ervan uitgaande dat in de toekomst via de inkomensafhankelijke AWBZ-premie een gelijkblijvend deel van de totale zorgkosten wordt gefinancierd, loopt de benodigde AWBZ-premie op van dertien procent (op basis kostenpeil van 1992) tot ten minste zestien procent, wellicht twintig procent in het jaar 2015.

De stijging van AOW- en AWBZ-premie betekent een zware belasting van het tarief van de eerste schijf. In 2015 komt het percentage van de eerste tariefschijf - louter door de demografische ontwikkeling en afgezien van de invloed van andere relevante factoren - uit op 52 tot 55 procent. Blijft het inkomen in de huidige tweede tariefschijf belast tegen 50 procent, dan krijgt het tarief een U-vorm. De middengroepen zouden aan de marge het minste betalen.

Zo'n tariefopbouw zou PvdA en VVD kunnen aanspreken. Het torenhoge basistarief van de eerste schijf is onvermijdelijk om de welvaart van uitkeringsontvangers te beschermen (een PvdA-prioriteit). De lasten hiervan drukken vooral op de lager betaalden. De middengroepen hebben aan de marge het laagste tarief. Dit laatste aspect komt aan een VVD-voorkeur tegemoet.

Tot zo hoog als zij hier zijn becijferd, zullen de tariefpercentages waarschijnlijk niet oplopen. Te verwachten valt dat toekomstige kabinetten zullen besluiten tot uitgavenbeperkende maatregelen, om te voorkomen dat het gecombineerde tarief van IB en premies volksverzekeringen oploopt tot onhoudbare hoogte. Evenals de afgelopen twee jaar het geval was, kan ook in de toekomst worden besloten de AOW-uitkering minder te verhogen dan strookt met de gemiddelde trend van de CAO-lonen. Voorts is het denkbaar de uitgavenontwikkeling in de zorgsector te beteugelen door beperking van het collectief verzekerde pakket, invoering van stevige eigen bijdragen of een verplicht eigen risico.

Ook dan zal het basispercentage voor de overgrote meerderheid van de bevolking in de buurt van de vijftig procent komen te liggen. Beleidsconcurrentie tussen de lidstaten van de EG zal verdere verlaging van het toptarief wellicht noodzakelijk maken. Zo komt een tarieflijn in beeld waarbij alle burgers over hun inkomen boven de belastingvrije som eenzelfde percentage afstaan. Bij zo'n Bentham-progressief tarief is de herverdeling door de belastingen zeer gering geworden. De komende jaren zal de inkomensongelijkheid verder toenemen, omdat de inkomenspolitieke instrumenten van de overheid bot zijn geworden.