Museum toont onbekend werk van fotograaf Chambi; Portretten van Peruanen in lompen en ook in smoking

Tentoonstelling: Martn Chambi, fotograaf van de Andes, t/m 22 nov. in het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Fotoboek 'Martn Chambi 1920-1950', uitg. Lunwerg, ƒ 95.

In 1975 reisde de Amerikaanse fotograaf Ed Ranney naar de Peruaanse stad Cuzco om de Inca-monumenten te fotograferen. Hij raakte er bevriend met ene Vctor Chambi, wiens vader ooit lokale roem genoot als portretfotograaf. Ranney was op zoek naar een donkere kamer om zijn foto's te ontwikkelen en Chambi bood de oude doka van zijn overleden vader aan.

Ranney was verbijsterd toen hij het indrukwekkende, maar verwaarloosde archief zag van Chambi sr: ruim vijftienduizend glasplaatnegatieven met afbeeldingen uit de eerste helft van deze eeuw. Twee jaar later keerde Ranney terug met een subsidie van het wetenschapsinstutuut Earthwatch en vergezeld van een team van specialisten. Samen met Vctor Chambi restaureerden hij de glasplaten en maakte hij zo'n zesduizend nieuwe afdrukken. Een tentoonstelling van enkele van deze foto's zorgde twee jaar later voor een sensatie in het Museum of Modern Art in New York.

De Peruaans / Amsterdamse fotograaf Jorge Heredia bezocht als gastconservator van het Museum voor Volkenkunde van Rotterdam de Chambi-studio in Cuzco en stelde een selectie van honderd foto's samen. Volgens Heredia valt er nog heel wat te ontdekken in Chambi's archief. Duizenden negatieven, samen een uniek tijdsdocument, liggen kriskras door elkaar te wachten op restauratie. Heredia: “Zeker de helft van Chambi's archief is nog onbekend en ongesorteerd. Zelfs Ranney kent hoogstens de helft van Chambi's totale oeuvre. Het is vooral Chambi's dochter Julia die snelle ontsluiting van de erfenis tegenhoudt. Het is erg moeilijk om toegang tot het archief te krijgen.”

Vlak voor zijn dood schijnt Chambi tegen zijn kinderen gezegd te hebben: “Ik laat jullie niet veel geld na, maar mijn archief is een goudmijn, zorg er goed voor.” De erven Chambi hebben dat zo letterlijk genomen, dat zelfs de onderhandelingen met het Museum voor Volkenkunde over het uitbrengen van een catalogus afketsten.

Chambi (1891-1973) was de eerste die het leven van de "gewone' indiaanse bevolking van Peru uitgebreid portretteerde. Met zijn wonderlijke apparaten op de rug van een ezel gebonden reisde hij tussen 1915 en 1950 tientallen malen langs de dorpen en eenzame boerderijen van de Andes. Vanwege zijn eigen indiaanse afkomst en zijn beheersing van het Quechua, de taal van de Andes-indianen, wist hij leden van de wantrouwige Aymara-stam te bewegen te poseren voor de camera. Vaak kostte het hem dagen om de boeren hun angst voor zijn bovenmaatse Duitse Ika camera te doen overwinnen.

Martn Jerónimo Chambi Jiménez werd, als enige zoon van een arme indiaanse boer in 1891 geboren in de zuidelijkste provincie van Peru, in het dorpje Coaza. Rond de eeuwwisseling zag de familie, evenals vele lotgenoten in die tijd, zich genoodzaakt de aardappel- en cocavelden te verruilen voor emplooi bij de Britse "Santo Domingo Mining Company'. De kleine Martn had het geluk in contact te komen met de Engelse fotograaf van de goudmijn, die hem de eerste beginselen van de fotografie bijbracht. Met een paar goudschilfers als enig kapitaal trok hij vijf jaar later naar de stad Arequipa, waar hij in de fotostudio van Max Vargas, toen een van de belangrijkste portretfotografen van Peru, als jongste bediende aan de slag kon.

Al snel was Chambi zo bedreven dat hij, in dienst van Vargas, zijn eigen klantenkring opbouwde. In 1920 ging hij met zijn vrouw en kinderen in Cuzco wonen. Midden jaren twintig was de studio van Chambi de beste en meest gewilde van de stad. De bourgeoisie verdrong zich rond de Marquésstraat waar hij zijn studio vestigde. Zijn dochter Julia dreef daar tot enkele jaren geleden nog steeds het bedrijf.

Chambi fotografeerde zowel de rijke, blanke bourgeoisie als de indiaanse boerenbevolking. Op sommige beelden komen deze twee werelden van Cuzco samen. Op de trap naar Chambi's studio kon een lid van de steenrijke Los Montes-familie oog in oog komen te staan met "el gigante de Paruro' (de reus uit Paruro), een boomlange straatarme indiaan. Beiden poseerden voor het bloemetjesbehang dat de achtergrond vormt van veel van Chambi's studiowerk.

Een van meest humoristische foto's is een dubbelportret uit 1929 van de "reus uit Paruro' met de Peruaanse tekenaar Vctor Mendvil. De indiaan, gekleed in tientallen malen opgelapt lamawol, staart gemoedelijk glimlachend in de lens. Mendvil, in smoking, kijkt verbijsterd op naar de reus aan zijn zijde. Meer dan een contrast in lengte of in kleding laat de foto zien hoe ver de twee werelden van Peru van elkaar af staan. Indianen getuigen uit 1931 is een beklemmende foto van een indiaanse familie in een rechtszaal in Cuzco. Angstig kruipen de indianen bij elkaar en staren geïmponeerd naar de camera. Het contrast tussen Europees en indiaans wordt huiveringwekkend scherp aangegeven door de blote voeten van de eenvoudige Aymara-boeren op het gebloemde tapijt van de rechtszaal.

Peru in de tijd van Chambi werd beheerst door het buitenland. De grondstoffen en de openbare voorzieningen waren in handen van vooral Noordamerikaanse bedrijven. De bedrijven voelden zich gesteund door de militaire dictatuur van Augusto Leguá die van 1919 tot 1930 Peru regeerde. Deze omstandigheden gaven lucht aan de opkomst van de APRA, een samenklontering van nationalisten, anti-imperialisten, linksen en "indigenistas', mensen die de indiaanse erfenis in ere wilden herstellen. De vrijwel ongeschoolde Martn Chambi werd een gewaardeerd lid van de rebelse intellectuele elite van Cuzco. "El señor indio', meneer de indiaan, noemden zij de kleine fotograaf respectvol. Hij leerde hen het échte indiaanse leven kennen. Zonder enige twijfel heeft hij enorm bijgedragen aan het nieuwe waardering voor de Quechua-cultuur en het hervinden van de trots om de indiaanse afkomst.

De laatste jaren van zijn leven leidde Chambi een teruggetrokken bestaan. In 1973 stierf hij in Cuzco op 82-jarige leeftijd. Alleen zijn buren herinnerden hem nog als gevierd fotograaf. Hij was teleurgesteld en ontgoocheld door de modernisering van Cuzco, die hij zelf stap voor stap op de foto vastgelegd had.

De honderd, helaas vrij klein afgedrukte, foto's die in het Museum voor Volkenkunde te zien zijn bieden een goede dwarsdoorsnede van Chambi's werk. Veertig daarvan waren inmiddels bekend; zo'n zestig daarvan beleven daar nu hun wereldpremière. Helaas voegen zij weinig toe aan het al bekende werk van Chambi. Ook al omdat de catalogus niet door kon gaan is de tentoonstelling in Rotterdam inhoudelijk weinig verrassend. De hoge kwaliteit en de soms spectaculaire onderwerpen van Chambi's foto's brengen echter steeds weer een schok teweeg bij ieder die het werk voor het eerst aanschouwt.