L'Espresso

De monetaire storm van de vorige week heeft aangetoond dat de positie van de Duitse mark binnen het EMS onhoudbaar is. Alleen een oppervlakkige en simpele retoriek, die voortkomt uit het feit dat Europa in theorie als absoluut noodzakelijk wordt bestempeld, terwijl men het in werkelijkheid onmogelijk wil maken met de monetaire en dirigistische rigiditeit van Maastricht, kan deze waarheid nog voor de Europeanen verbergen.

Op zondag 13 september is de lire, een buitengewoon zwakke schakel in de keten, bezweken onder de werkelijke situatie van Italië. Veel andere schakels staan op breken nu het Franse referendum over Maastricht achter de rug is, als gevolg van de alles-verwoestende zuigkracht van Duitsland. De bescheiden vermindering van het Duitse disconto waartoe de Bundesbank heeft besloten, van 8.75 naar 8,25 procent, is het eerste signaal dat de deflatie en de recessie zich ook in Duitsland doen voelen, maar zij verslapt onvoldoende de wurggreep op de andere Europese economieën. (...)

Om de omvang van het Duitse probleem te doorgronden, om de begrijpen hoe gegrond het provocerende voorstel voor een tijdelijke uittreding van de mark uit het EMS is, moeten we de geschiedenis van de Duitse eenwording en de kosten daarvan nog eens nalopen. (...) In het begin is er het kolossale geschenk geweest van de Westduitsers aan hun broeders in het oosten: een pariteit tussen de munten van de twee landen van 1 op 1 voor contanten en 2 op 1 voor middellange-termijndeposito's, tegen de (echte) zwarte-marktwaarde van 10 op 1. Geen convergentie à la Maastricht, met zwaarwegende verplichtingen tot aanpassingen; geen Poolse inflatie; maar een onverwacht veiligheidsnet tegen iedere macro-economische destabilisatie.

Ondanks de dramatische produktiviteitskloof heeft de vakbond gedaan gekregen dat in 1994 alle ambtenaren in het oosten hetzelfde loon ontvangen als in het westen, en dat de salarissen in de industrie in het oosten groeien met vijfentwintig procent per jaar tot zij hetzelfde niveau bereiken van de werknemers in het westen. Het resultaat is dat van 1990 tot 1991 de salarissen in het oosten gemiddeld met veertig procent zijn gestegen.

Maar laten we de financiële kosten bekijken. De betrouwbaarste schatting luidt nu dat de kosten van de eenwording in de komende tien jaar ongeveer drieduizend miljard marken bedragen, veel meer dan de totale Italiaanse overheidsschuld. Zeker duizend miljard mark zullen nodig zijn om de industrie van Oost-Duitsland te financieren; nog eens duizend miljard gaat naar de schoonmaak van het milieu; tussen vijfhonderd en duizend miljard zijn nodig voor investering in infrastructuren.

Om een idee te krijgen van de omvang hiervan moeten we bedenken dat in dezelfde periode het bruto nationaal produkt van het verenigde Duitsland tussen de dertig- en de veertigduizend miljard mark waard zal zijn.

Hoe moet je dergelijke astronomische bedragen financieren? Met een schuldenlast, die in 1992 ongeveer 42 procent van het bruto nationaal produkt zal zijn, en tot boven de vijftig procent zal stijgen in 1995. De felle strijd tussen de regering en de Bundesbank, die om een verhoging van de belastingdruk vroeg, is gewonnen door de regering die bezorgd is over de komende verkiezingen. Het onvermijdelijke antwoord van de Bundesbank is geweest (en is, ondanks de recente bijvijling) verhoging van de rente.

Waarom is dit niet meer te verdragen door Europa? Omdat, wegens de rigiditeit van de (monetaire) slang, deze rentestand in feite wordt doorgespeeld - als referentieniveau - naar andere Europese munten. Bij dit referentieniveau moeten de verschillen in geloofwaardigheid van de andere munten ten opzichte van de mark worden opgeteld. Zo krijg je het verschil tussen de vierentwintig procent van de lire en de nog geen tien procent van de mark die er bestond aan de vooravond van de devaluatie op de dertiende. Dat geeft aan dat de euromarkt op eigen houtje de lire al had gedevalueerd, met vijftien procent, omdat alleen een renteverschil van bijna vijftien procent erin kan slagen de wisselkoers met de mark constant te houden. Maar het is duidelijk dat met zulke rentestanden de economie van de zwakste landen, en daarbij niet alleen de industrie, wordt gewurgd.

Men zal zeggen: het is onze schuld, schuld van de dwaze economische politiek van degenen die Italië in de afgelopen tien, vijftien jaar hebben bestuurd, van de monsterlijk diepe kloof van de publieke schuld die zich daardoor heeft geopend. Allemaal waar. We zijn de laatsten die ook maar iets mogen zeggen. Maar het staat vast dat de Italianen, de Engelsen, de Spanjaarden en gaandeweg alle anderen (met de enige uitzondering misschien van Frankrijk) niet met de stijging van hun werkloosheid kunnen betalen voor de beheersing van de werkloosheid in Oost-Duitsland.

De Duitse eenwording was onvermijdelijk, nodig en nuttig voor Europa, en dus ook voor Italië; zij is in politiek opzicht magistraal uitgevoerd, maar met buitengewoon ernstige financiële gevolgen. Wij Italianen moeten zeker vanaf nu boeten voor de zonden van degenen die ons hebben bestuurd. Maar men kan niet van ons vragen dat we sterven voor Dresden.''

Carlo De Benedetti, president van Olivetti, deze week in L'Espresso.