Hoofdstukjes uit het Vergeetwoordenboek

Donderdag ligt het in de boekhandel Lemma: Vergeetwoordenboek. Een speciaal nummer van het tijdschrift Raster, waarin 56 auteurs uit het Nederlands verdwenen woorden en begrippen beschrijven, die betrekkelijk kort geleden nog levende woorden en begripppen waren.

Hieronder, bij wijze van voorpublicatie, een keuze uit de 84 lemma's.

Raster, nummer 58, Uitg. De Bezige Bij, ISBN 90 234 13 77 6, 143 blz. ƒ 24,50

BARBIERTJE

Nog nooit ben ik iemand tegengekomen die wist wat een "barbiertje' was, laat staan iemand die bovendien nog zou kunnen uitleggen waarom het ding zo heette; behalve de heer Alderhout natuurlijk, de huisjesmelker van wie ik, of liever mijn vader, destijds het huis kocht waarin ik nog steeds woon. Maar ook hij had geen flauw idee van het waarom van de benaming.

Het was ons eigenlijk alleen maar om een etage begonnen, niet om de begane grond, één hoog, en de zolder plus vliering die elk apart verhuurd waren. Ik herinner me onze opwinding terwijl we de trap opklommen naar de tweede etage, heel veel mensen op een smalle trap en een onmogelijk overloopje: ik, mijn vriendin, mijn vader, mijn moeder, onze makelaar, en de huisjesmelker/eigenaar Alderhout, allemaal op dat overloopje of nog net op de trap terwijl er met sleutels geprutst werd.

De woning bestond uit: een kamer aan de voorkant, van drie ramen breed, met een vrij omvangrijke schoorsteenmantel; een alkoof in het midden, met een deur erin die voor de helft bestond uit dik matglas met bloemmotief (de heer Alderhout deelde mee dat hier "vroeger' door twee volwassenen met tien kinderen was geslapen, wat zeer besteed was aan mijn vader, zelf afkomstig uit een nog anderhalf maal zo groot gezin); en een kamer achter. Deze, eveneens voorzien van forse schoorsteenmantel, twee ramen breed, gaf daar waar vroeger het derde raam gezeten moest hebben toegang tot zo'n aan het huis "geplakte' keukenuitbouw zoals je nog veel ziet in Amsterdam.

Deze markeert het moment waarop de waterleiding haar intrede heeft gedaan in het oude centrum. Want pas in deze keukens kon men voortaan beschikken over de weelde van de aansluiting. En pas deze keukens, waar ook waterclosetten geïnstalleerd zouden worden, maakten een eind aan het tijdperk van de poepemmers en de zogenaamde Boldootwagens.

Deze keuken-met-toilet nu had in volle glorie de jaren zeventig gehaald. Er zat, boven het geëmailleerde aanrechtje, een kraan, die koud water kon geven. De hoogbejaarde vorige bewoners, van wie er een overleden en de ander naar een bejaardenhuis vertrokken was, moest het de afgelopen veertig, vijftig jaar om het even zijn gebleven, wel of niet een geyser, wel of niet een douche.

Het aanrechtje liep door tot een soort kast, van hout, met een heel smalle deur. Dit was de wc, die door de rondleidende heer Alderhout geopend werd. Achter die deur was het zo verbazend ondiep, dat de toiletpot - met brede houten bril - wat schuin opgesteld moest staan om er überhaupt nog te passen. Het was in een oogopslag duidelijk dat wie op deze pot plaatsnam zijn knieën met geen mogelijkheid kwijt zou kunnen.

Dit was het moment van de heer Alderhout. Hij klapte een houten verlengstuk - dat zich tot onze verbluftheid scharnierend opgevouwen tegen de binnenzijde van de smalle deur bleek te bevinden - los, en ziedaar: nu kon de deur zowel open blijven staan als gesloten zijn, op een haakje, zodat er in de gecreëerde extra driehoek knieën konden. Deze installatie, zo deelde de heer Alderhout vergenoegd mee, werd door de vroegere Jordaanbewoners een barbiertje genoemd.

Afgezien van drie verticale tussen de baksteen uitgespaarde spleten waar doorheen een verrassende hoeveelheid licht viel was er wat dat betreft geen andere reguliere voorziening. Blijkbaar was het barbiertje in zoverre al lang niet meer in gebruik dat men de deur eenvoudigweg open liet staan, en profiteerde van het overige keukenlicht, in elk geval 's avonds.

Hoewel die keuken er nu niet meer is, en ook zijn van modern gerief voorziene opvolger alweer plaats heeft moeten maken voor een paar vierkante meter stadstuin verheugt het me nog altijd er weet van te hebben; dat geheimzinnige begrip, barbiertje.

Nicolaas Matsier

BORDEELSLUIPERS

Halfhoog suède herenschoeisel met dunne spekzolen en veters als touwtjes, die door nestelloze gaatjes werden getrokken. Buigzame, comfortabele, geruisloze schoen, die aan de voet zichtbaar was, omdat er een pantalon boven werd gedragen met smalle, soms iets te korte pijpen. Handelsmerk van Pleiners (ofwel artistiekelingen) eerder dan van Dijkers (ofwel nozems), die lederen puntschoenen droegen. De meisjes (van bakvis teenager geworden) droegen queenies: pumps met niet al te hoge, maar toch scherp toelopende hak, die altijd tussen roosters en straatstenen bleven steken, en die beschermd werden door een plastic hoesje. Bij de bordeelsluipers hoorde Césarhaar, bij de punters kwam de vetkuif met het kippekontje. Van iets eerder dateert voor de mannen de broskop (stekeltjeshaar), die zonder twijfel in navolging van onze bevrijders een zegetocht begon. De meisjes van de Pleiners deden hun best op Juliette Gréco te ljken, die van de tegenpartij hadden suikerspinnen op het hoofd: hevig opgetoupeerd haar, geblondeerd met waterstofperoxide. Touperen is het opzettelijk in de klit brengen van het haar om het volume te geven: met een kam werd de bovenlaag van het ruwe materiaal voorzichtig in model gebracht. Achterop racebrommers lagen ze, de armen om het middel van de vriend geslagen, de kont ver naar achter op de buddy-seat, een sjaaltje met BB-ruitje, de lagen van de petticoat telbaar (hoe meer hoe mooier); deinende verleiding. Voordat de jeugdcultuur ontstond, hadden de generaties ondanks de hiërarchieke kloof zich in kleding niet onderscheiden: wolletjes, lijfjes, camisooltjes, interlockjes, gordeltjes (ook voor uitwasbaar maandverband), charmeuse, onderjurken, mantelkostuums, demi-saisons, bananeschillen (een soort hoed), boa's, vossen, slipovers, drollenvangers, Jansen en Tilanussen, Terlenka-rokken werden gedragen ongeacht leeftijd. De rock en roll maakte de breuk definitief en compleet.

Nelleke Noordervliet

DIENSTBODE

Er zat tot voor nog niet eens zo heel lang geleden niets schandelijks in het houden van een dienstmeisje en veel tamelijk gewone, niet eens zulke rijke gezinnen hadden er een. Zo'n meisje was bevoorrecht, ze leerde het huishouden van een mevrouw, ze werd opgeleid en voorbereid op een fatsoenlijk huishouden van zichzelf. Een mevrouw kon zo'n meisje wel een beetje africhten en drillen, maar helemaal de baas was ze allang niet meer. Ze plakte vakantie- en pensioenzegeltjes voor het meisje, ze liet haar al heel vaak gewoon meeëten aan tafel (en niet meer in de keuken om haar aan het eind van de maaltijd binnen te roepen als er bijbelgelezen werd, zodat ze, staande langs de zijkant van de eetkamer, lezing en gebed mee kon maken). Het meisje was vaak "intern' en woonde op een keurig zolderkamertje. De familie had er een handige oppas voor de kinderen aan.

De voordelen van een meisje waren groot: al werkten getrouwde vrouwen zelden buitenshuis en konden ze alle dagen besteden aan het huishouden, er bleek meer dan genoeg huiswerk te zijn om een meisje mee bezig te houden. Stoffen en zuigen, eten schoonmaken, tafeldekken, bedden opmaken, de deur netjes opendoen en bezoek binnenlaten. Thee en koffie binnenbrengen. Soms eten koken en opdienen, en natuurlijk afwassen. En de kinderen van en naar school brengen en 's middags een wandeling met ze maken. Voor meisjes van 13, 14 jaar was dat wel een gevarieerd, maar ook een heel zwaar bestaan en ze hielden het vol omdat een dienstje de beste voorbereiding op hun eigen huishouden was. Het alternatief voor arbeidersmeisjes was de fabriek of het atelier. En dan was een dienstbetrekking beter, zeker als mevrouw aardig was en de kinderen niet al te verwend en onopgevoed.

Vlak na de oorlog kwamen dienstmeisjes nog veel voor, en hoefde je je als fatsoenlijk mens niet voor zo'n betaald huisslaafje te generen. Maar vanaf de jaren zestig raakten de dienstbodes echt in onbruik. Mevrouw kon het voortaan, dankzij moderne appartuur, minder kinderen en een werkster voor een paar uur per week, zonder een meisje voor dag en nacht stellen. Alleen echt deftige families hielden vast aan dienstbodes, aan huispersoneel, aan meisjes die tijdens ontvangsten keurig opdienden en afnamen. Het meisje verdween uit de nette middenklasse. Alleen in de hoogste kringen wilde ze nog dienen, al veranderde ze haar naam. Niet langer heette ze dienstmeisje, maar ze werd medewerkster, assistente, hulp in de huishouding.

In de literatuur leven dienstboden voort, in de keuken, met schort en soms met een wit mutsje, hun handen gekloofd en zepig; ze zijn onderdanig aan mevrouw en een tweede moeder voor de kinderen. En ouderwetse meisjesboeken gaan vaak over die jonge meisjes van 12, 13 jaar die direct na school een dienstje kregen en voor een paar kwartjes per week zich doodwerkten, dankbaar dat ze een nette betrekking hadden. Tot ze een man vonden en zich voortaan in hun eigen huishouden doodwerkten.

Aukje Holtrop

KIKKERPROEF

Rond 1960 toen men tot gevangenisstraf werd veroordeeld voor majesteitsschennis en vervolgd voor godslastering, stierven er ongekend veel kikkers in een stad als Amsterdam en niet alleen door eerstejaars studenten met hun messen.

Meisjesstudenten van alle studierichtingen die wat lang met een vriendje in een park of portiek hadden rondgehangen, waar moesten ze anders heen in die dagen van de deugdzame hospita's, wezen elkaar snel de weg naar het laboratorium in Zuid waar ze, zodra ze langer dan twee weken over tijd waren, in hun leren jasje met hun rieten mandje naar toe fietsten om een decent ingepakt monstertje ochtendurine af te geven, sommigen groen van de ochtendmisselijkheid, voorlopig nog geweten aan de roekeloze inname van goedkope chianti uit mandflesjes tijdens het luisteren naar Franse chansons van Brel, Brassens, Béard en andere helden van de pick-up in schemerig gehouden zolderkamers.

Veel romantische liefde eindigde in die dagen met de kikkerproef.

De uitslag was snel en betrouwbaar: bleef de kikker groen na de onuitsprekelijke behandeling dan hoefde er niets, verkleurde hij dan moest er van alles.

Het meisje kon nog kiezen uit deze drie: schande, huwelijk of breinaald, de kikker was er hoe dan ook geweest.

Imme Dros

LIJFJE

Een lijfje was een (onder)kledingstuk dat door kinderen, zowel jongens als meisjes, in de winter gedragen werd. Nauwsluitend, mouwloos, van voren doorgeknoopt met stoffen knopen die nooit opengingen; je stak je kop gewoon door de ronde halsopening en trok het als een hemd aan. Het was gemaakt van een witte, stugge, met band doorgestikte stof. Onderaan bungelden, zowel voor als achter, twee elastieken bandjes met jarretelknoopjes en metalen beugelhaken, die koud op je vel aanvoelden. Het werd gedragen over het onderhemd en bedekte gedeeltelijk de onderbroek.

God, wat haatte hij het lijfje. Met die belanchelijke jarretelbandjes, bedoeld om lange wollen kousen aan te bevestigen. Meidendingen dus. Welke jongen droeg er nu een lijfje! Geen één natuurlijk! Alleen hij. Goddank kon je er niets van zien, zat het weggeborgen onder zijn bloes en korte broek. Het moet koud geweest zijn, bitter koud, anders zou ze het hem niet hebben aangedaan. Waarom had hij zijn rijbroek niet aangetrokken? Had hij er weer een gat ingevallen en lag hij in de verstelmand? Zat hij in de was? Hoe dan ook, bij het aankleden had ze hem lange bruine wollen kousen aangetrokken. Natuurlijk had hij zich verzet, gehuild, gesmeekt, gekrijst. Het had niet geholpen. Wanhopig zat hij aan het ontbijt - over enkele minuten zou hij het huis uit moeten hollen om de bus naar school te halen. Toen moet hij het besluit genomen hebben: dat nooit! Zó niet naar school! Hoe hij het gewonnen heeft, weet hij niet meer, maar toen hij eindelijk, lichtingen later, in de bus zat, keek hij met voldoening naar zijn knieën, blauw van de kou, maar bloot. Natuurlijk kwam hij veel te laat op school. Natuurlijk kreeg hij straf, zou hij na moeten blijven, maar zonder schande.

Hij had er geen moment aan gedacht dat hij zijn te laat komen zou moeten verantwoorden. Pas toen de Juf hem, bij het binnenkomen in de klas, vroeg hoe dat nu toch zo gekomen was, realiseerde hij zich dat zijn ellende nog niet voorbij was.

Zou hij, in het front van de klas, het vernederende verhaal van het lijfje en de kousen moeten uitspreken? Hij zal wel even geaarzeld hebben maar vertelde daarna, zonder enig haperen, hoe de bus waarin hij gezeten had plotseling, zomaar, de banketbakkerswinkel van Karels, vlak om de hoek van de school gelegen, was binnengereden. Dwars door de winkelruit. Nou Juf, de ravage was enorm. De taartjes zaten tot op de achterbank. Overal glas en bloed. De winkel had vol met klanten gestaan. Karels zelf had zijn been gebroken. De buschauffeur had een harde landing in de roomsoezen gemaakt. Veel gewonden? Heel veel. En dooien natuurlijk. Overal bloed en slagroom. De Juf staarde hem aan. Wat vreselijk, zei ze en stormde de klas uit om de ramp te melden aan de bovenmeester die in de zesde klas les gaf. Enkele minuten later zag hij de bovenmeester de speelplaats oversnellen, zonder jas of hoed. Op naar de plaats des onheils. Met lichte twijfel zag hij hem vertrekken en met nauwelijks meer twijfel zag hij hem kort daarna weer terugkeren. Pas toen hij door de woedende bovenmeester voor schaamteloze leugenaar werd uitgemaakt, wist hij: het is dus toch niet waar, het is dus niet gebeurd.

Hij heeft, de vele jaren die hij nog te gaan had, de school doorlopen als "die schaamteloze leugenaar'.

Kees Nieuwenhuijzen