Hoger onderwijs wordt aan bestuurders overgelaten

De relatie tussen universiteit en HBO (hoger beroepsonderwijs) staat onder spanning. De minister wil de kosten in de hand houden en daarbij helpt het als de beide vormen van hoger onderwijs als gelijkwaardig worden gezien. De HBO-Raad timmert aan de weg om de status van het HBO te vergroten, maar kennelijk is die van de universiteiten toch wat hoger en dat hindert.

Het HBO heeft belangstelling voor een gedeelte van het onderzoekgeld dat naar de universiteiten vloeit. In de onderwijsbijlage van deze krant van 10 september wordt het Britse voorbeeld (waar kortgeleden alle Polytechnics de status van universiteit verkregen) aan Nederland ten voorbeeld gesteld. Het is in ieder geval een methode om meer studenten goedkoop door het hoger onderwijs te loodsen. Tenslotte hoeft niet iedereen tot onderzoeker te worden opgeleid. Maar waar komen de onderzoekers die wèl nodig zijn nog vandaan?

Eén van de voordelen van de natuurwetenschappen is de in dit vakgebied ingebouwde ijking van de kwaliteit van het onderzoek door publikaties in internationale tijdschriften. Op die manier kan erkenning worden verkregen, die zich bijvoorbeeld uit in uitnodigingen voor internationale voordrachten. Een goed of matig cijfer van een Visitatiecommissie, van de Inspectie van het hoger onderwijs, of van welke commissie dan ook, kan dat niet bereiken of ongedaan maken. Het niveau op een bepaald vakgebied van wetenschappers, van instituten en uiteindelijk van Nederland wordt zo vastgesteld.

De universiteiten zijn steeds meer een speelbal geworden van de "nieuwe klasse' van bestuurders van instellingen en ambtenaren van het ministerie van onderwijs en wetenschappen. De faculteiten laten dat vaak maar zo en wijzen niet voldoende op het gebrek aan analyse dat veel van de discussie kenmerkt, waardoor het de universitaire bestuurders ontbreekt aan doortimmerde alternatieven.

Dit verwijt aan het adres van de "basis' van de universiteiten hangt direct samen met een tekort aan zelfonderzoek. Zo is de invoering van de twee-fasen structuur te weinig gebruikt voor een meer maatschappelijk gerichte herprogrammering van de studie. Dat alles veroorzaakt een gebrek aan maatschappelijk draagvlak van het wetenschappelijk onderwijs en geeft de politiek de kans haar gang te gaan. Er zijn geen demonstraties van afgestudeerden onder het motto "Handen af van onze universiteit!'.

Hoewel de "ivoren toren' van de wetenschapper is verdwenen, is de afstand tussen de universitaire gemeenschap en de maatschappij nog steeds groot. Wetenschappers beseffen nauwlijks dat hun gebrek aan invloed daar een direct gevolg van is. Te veel stellen ze zich tevreden met aanpassing aan de situatie en zo goed mogelijk tussen de klippen door laveren. Maar wat betekenen die alternatieven die van "buiten' worden aangedragen?

Met de invoering van het twee-fasen systeem met een vierjarige eerste fase, heeft de overheid gekozen voor hoger onderwijs voor velen. Deze massificatie leidt tot een grote politieke druk op de kosten (de investering) per student. Dat bedrag moet immers met een steeds groter getal worden vermenigvuldigd. Daarbij is er weinig oog voor het kwaliteitsprobleem: het is nu eenmaal niet mogelijk massa-onderwijs te verenigen met onderwijs op het niveau van de hoogst getalenteerden. En op welk niveau moet worden gemikt als nu reeds velen de eindstreep niet halen? Nieuwe voorstellen voor bekostigingsmodellen laten deze vraag naar het niveau zorgvuldig buiten beschouwing: doorjagen is het parool, want aan de uitgang rinkelt de kassa voor iedere afgestudeerde student. Voor iedere gepromoveerde onderzoeker (tweede fase) is hetzelfde aan de minister geadviseerd. Met de twee-fasen structuur is gekozen voor de Angelsaksische situatie, maar zonder het element van competitie en selectie. Dat maakt het moeilijk iets aan het grote percentage uitvallers te doen.

Zitten de universiteiten moeilijk, het HBO zit in de lift. Neem het hoger technische onderwijs: begonnen als MTS behorend tot het middelbaar onderwijs, nu als HTS opgenomen in de nieuwe hogescholen. In het grote geheel van de gevraagde gelijkwaardigheid wordt gelijkstelling met de Technische universiteiten gezocht. De mogelijkheid om te promoveren is ook al geschapen.

Die ontwikkeling naar gelijkwaardigheid met de universiteiten wordt door de onderwijsbestuurders gestimuleerd. Maar functioneert het maatschappelijk ook? Professor H. de Rooij, hoofd corporate research bij DSM Research gaf uit de chemische industrie onlangs het volgende beeld: “Universiteiten leiden op tot zelfstandig werkende, conceptueel denkende academici die voldoen aan de maatschappelijke behoefte; hogescholen leiden gekwalificeerde, uitvoerende specialisten op. Die profilering is goed en zou in stand gehouden moeten worden”.

Het opvallendste van de fusiegolf in het HBO is dat relatief kleine overzichtelijke scholen met een beperkte directie nu opgenomen zijn in grote bureaucratische eenheden met een veelheid van bestuur en overleg. Academisering uit zich in de introductie van nieuwe met het wetenschappelijk onderwijs vergelijkbare functies aan de top (met een dienovereenkomstig optrekken van de salarisstructuur). De nieuwe klasse slaat toe en zo gaan HBO en wetenschappelijk onderwijs bestuurlijk meer op elkaar lijken.

Uit de aanwezige overeenkomsten wordt dan nogal eens geconcludeerd dat de resterende verschillen ook zoveel mogelijk moeten worden weggewerkt. Een voorbeeld is het pleidooi voor een gezamenlijke propaedeuse van vergelijkbare vakgebieden in HBO en wetenschappelijk onderwijs. Daarbij wordt dan voorbijgegaan aan de heterogeniteit in vooropleiding en niveau van de studenten.

Binnen het HBO wordt ervoor gepleit de hogescholen een gelijke taakstelling als de universiteiten te geven. Dat zou vooral de mogelijkheid openen bij HBO-instellingen onderzoek te doen ten laste van de rijksbijdrage. Dat sluit aan bij de roep om samenwerking tussen HBO en wetenschappelijk onderwijs bij onderzoek in laboratoria en andere dure voorzieningen aan de universiteiten. Anderzijds wil Onderwijs en Wetenschappen aan de universiteiten meer scheiding tussen onderwijs en onderzoek en dient het laatste bij voorkeur te worden geconcentreerd in "onderzoekscholen' (graduate schools) in de tweede fase van het wetenschappelijk onderwijs. De combinatie is niet logisch en leidt tot de vraag welke soort onderzoek dan aan de hogescholen moet worden gedaan, door docenten nota bene die vaak bewust niet voor een onderzoeksloopbaan hebben gekozen en veelal niet zijn gepromoveerd. De output van onderzoek dient altijd meetbaar te zijn aan publikaties of vergelijkbare verrichtingen. De hamvraag is dan ook of meer samenwerking tussen HBO en wetenschappelijk onderwijs leidt tot verhoging van die output.

Het griezelige van de problematiek in het hoger onderwijs is dat de discussie zich grotendeels afspeelt in bestuurlijke kringen. Zowel universitair Nederland als andere geledingen in de maatschappij zouden zich dat aan moeten trekken. Het hoger onderwijs is te belangrijk om aan beperkte circuits over te laten.